Sabbat betekenis & definitie

Sabbat - m. (-ten), (eig.) feestelijke rust; bij de Israëlieten de laatste dag der week tot rust van dagelijksche bezigheden afgezonderd en meer bijzonder aan de vereering van God toegewijd en die des Vrijdags avonds aanvangt en des Zaterdags avonds eindigt;

grooie sabbat, (Isr.) naam van den sabbatdag, die aan den Paaschdag voorafging; den sabbat houden, vieren, schenden, ontheiligen; — bij de Christenen heet de Zondag ook wel sabbat; — (bijgeloof) feestdag, feestelijke bijeenkomst der heksen.

Laatst bijgewerkt 29-11-2018