Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bijzonder

betekenis & definitie

BIJZONDER, bn. en bw. (-der, -st, (ook) meer-, en meest-) afzonderlijk, op zich zelf: een volksvertegenwoordiger die voor de bijzondere belangen van zijn district opkomt; van het algemeene tot het bijzondere afdalen;

— eene bijzondere school, niet openbaar;
— niet van overheidswege gegeven: het bijzonder onderwijs;
— zeer groot: Marken heeft eene bijzondere aantrekkingskracht voor vreemdelingen;
— eigenaardig, vreemd, zonderling hij is altijd zoo bijzonder; hij heeft altijd, wat bijzonders;
— *t is niets bijzonders, niets ongewoons, niets van beteekenis, niets geheims;
— dat is een bijzonder geval, een ongewoon geval:
— bw. zeer buitengewoon; ‘t vreemdelingenbezoek is bijzonder sterk; ’t bevalt me hier bijzonder;
— een candidaat bijzonder aan bevelen;
— in 't bijzonder, op afzonderlijke gevallen toegepast;
— geldt allen, maar u in ’t bijzonder, voornamelijk, in de eerste plaats;
— iemand in *t bijzonder spreken, (minder gebruikelijk dan) afzonderlijk, onder vier oogen.