Wat is de betekenis van ruimte?

2018
2020-11-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ruimte

ruimte - zelfstandig naamwoord uitspraak: ruim-te 1. plaats waar je kunt zijn ♢ in de bus is ruimte voor dertig passagiers 1. hem de ruimte geven [hem een kans geven] ...

Lees verder
2017
2020-11-26
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Ruimte

Ruimte - 'iemand de ruimte insturen': iemand achter de bal aan doen hollen door hem een onhandige pass te geven.

2017
2020-11-26
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

ruimte

Ruimte is de beschikbare oppervlakte en/of omvang. Het is een begrip dat hoort bij het domein 'Meten en meetkunde'. In Wizwijs jaargroep 6 blok 8 wordt voor de term voor het eerst gebruikt. De leerlingen onderzoeken dan bijvoorbeeld hoeveel kinderen op een vierkante meter passen. Daarna doen ze hetzelfde met een kubus en het hele klaslokaal. Ze sch...

Lees verder
2004
2020-11-26
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

ruimte

Overheidseufemisme voor geld. In het politieke wereldje draait alles om geld. Er wordt voortdurend over gebakkeleid. Dat woord wordt dan ook zoveel mogelijk vermeden. Geld wordt door de overheid zelden uitgegeven of betaald. Middelen vloeien, ruimte wordt besteed.

Lees verder
2001
2020-11-26
Begrippenlijst drama

Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Ruimte

(→) Dramatische ruimte.

1998
2020-11-26
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Ruimte

geef hem de - laat hem door; bemoei je niet met hem. Informele uitdr. Zie ook gezwam (in de ruimte).

Lees verder
1973
2020-11-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

ruimte

v. (-n, -s), 1. plaats om zich uit te breiden, zich te bevinden of te bewegen: dat neemt wel in; er is genoeg; maken, plaats maken om iets neer te zetten enz.; 2. afstand, plaats of plek tussen twee of meer zaken: de — tussen de woorden; een open opvullen; speelruimte; 3. door grenzen, m.n. door drie dimensies bepaalde plaats: een ledige...

Lees verder
1949
2020-11-26
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Ruimte

Vlaams lit. tijdschrift (1920-1921), groepeerde de expressionnistische generatie, o.a. E. de Bock, J. Brunclair, G. Burssens, M. Gijsen, W. Moens, P. van Ostaijen.

Lees verder
1933
2020-11-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ruimte

1° (philos.) de uitgebreidheid eener plaatselijke begrenzing (vgl. Arist., Phys. 209b, 6). Op een plaats is een bepaalde hoeveelheid ruimte.Vgl. verder ➝ Plaats en tijd. Wanneer de natuurkundige aan de ruimte physische en metrische eigenschappen toekent, beweert hij niet dat de ruimte als zoodanig in de werkelijkheid bestaat, maar gebruikt hij...

Lees verder
1916
2020-11-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Ruimte

Ruimte - Van haar geldt hetzelfde wat Augustinus opmerkt over den tijd „als niemand mij vraagt, wat het is, weet ik het; als ik het aan een vragende moet uitleggen, weet ik het niet.” Over haar wezen en eigenschappen, over de betrekking der r. tot de stoffelijke dingen in haar en tot ons bewustzijn en onze kennis van haar hebben mathematici en mech...

Lees verder
1898
2020-11-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ruimte

Ruimte - v. (-n), plaats waarin de lichamen zich bevinden en bewegen: de oneindige ruimte; alle lichamen beslaan ruimte; dat neemt te veel ruimte in; — (gemeenz.) geef hem de ruimte, laat hem passeeren, laat je niet met hem in. laat hem ongehinderd voorbijgaan; — uitgestrektheid: men overziet hier eene heele ruimte; — grootte,...

Lees verder