Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Riem

betekenis & definitie

Het begrip riem heeft 3 verschillende betekenissen:

1. riem - riem - . m. (-en), smalle lange strook (inz. van leder);
— lederen gordel (inz. om er geld in te bergen);
— lederen band (aan schoenen, rijtuigen, wapenen enz.);
gereedschap om voorwerpen aan elkander te binden, vast te houden, er aan te hangen enz. : boeken in een riem dragen ; riem van een geweer ; een kinderwagentje dat in riemen hangt;
— reep: riem zonder einde (in fabrieken), waarmede men de beweging van een deel eener machine naar een ander deel overbrengt;
— (spr.) uit eens anders leder is het goed riemen snijden, het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over iets dat een ander toebehoort; iem. een hart onder den riem steken, hem moed inspreken;
— (ontl.) kleine

pees: tongriem; nagelriem. RIEMPJE, o. (-s), kleine riem.

2. riem - riem - m. (-en),
— roeispaan; met een riem sturen, in plaats van met een roer;
— dubbele riemen, korte riemen, zoodat er twee roeiers op een zelfde bankje kunnen zitten;
— enkele riemen, waarvan het eind binnenboords hiertoe te lang is;
— vaartuig van 20 riemen, zóó ingericht, dat men 20 riemen kan gebruiken om het voort te roeien ;
— riemen snijden, de riemen met het vlak boven water houden;
— (fig.) een, riem onder het zeil steken, meer kracht of vaart aan eene zaak bijzetten ;
— de riemen binnenhalen, de zaak laten varen ;
— (spr.) eerst in de boot, keur van riemen, wie eerst komt, eerst maalt;
— men moet roeien met de riemen die men heeft, men moet zich behelpen met wat men heeft;
— met zijne eigen riemen roeien, zijne eigen krachten beproeven; -
— iem. op zijn eigen riemen laten drijven, niet naar hem omzien, hem laten voortsukkelen;
— de riemen te boord leggen, zijn best doen.

3. riem - riem - m. (-en), hoeveelheid van 20 boek papier (elk boek van 24 vellen); gewoonlijk 500 vel papier.