Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

2018-09-01

Bergen

betekenis & definitie

BERGEN, (borg, heeft geborgen), iem. of iets in veiligheid brengen, redden het lijf, het leven bergen, levensbehoud zoeken;

— iem. bergen, een veilig onderkomen verschaffen;
— berg-je, ga uit den weg;
— zich bergen, wegloopen;
— (rechtst.) schepen binnenbrengen die door schipper en equipage zijn verlaten; de goederen van een gestrand schip redden;
— hij wist van verlegenheid, van schaamte zich niet te bergen, hij wist niet wat hij doen moest, hoe zich te houden;
— hij heeft eene mooie betrekking, is nu geborgen, heeft voor de toekomst niet te vreezen;
— die meisjes zijn geborgen, zijn goed getrouwd;
— hij is geborgen, heeft zijne schaapjes op het droge
— iets op eene bepaalde plaats brengen en daar bewaren de leerlingen moesten hunne boeken bergen; waar berg-je dat zoo lang ?; die jongen borg zijne appels in zijne blouse;
— (scheepst.) de vlag bergen, neerhalen en wegsluiten;
— de zeilen bergen, strijken, samenplooien en op de ra met de beslagbanden vastbinden;
— dat schip kan veel bergen, veel goederen laden;
— (gemeenz.) hij kan veel bergen, veel laden, veel eten;
— in die kast kan men veel bergen, er is veel ruimte in. BERGER, m. (-s). BERGING, v. BERGSTER, v. (-s).