Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gordel

betekenis & definitie

m. (-s), band of riem dien men om het middel draagt om de kleederen bijeen te houden of op te schorten, bij de vroegere kleedij ook gebezigd om er wapens, tasschen enz. aan te hangen of er geldbeurzen tusschen te steken, soms ook alleen dienende tot sieraad: een lederen gordel:

— (zegsw.) iemand een hart onder den gordel steken, hem moed geven;
— (ook) een kring, een krans van voorwerpen, die iets anders omgeven: het prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar als een gordel van smaragd;
— (bouwk.) eene soort van lijst als gevelversiering. GORDELTJE, o. (-s);
— (aardr.) een der denkbeeldige banden of strooken, waarin men het hemelgewelf en het aardoppervlak verdeelt, zone: Humboldt heeft het aardoppervlak het eerst naar den plantengroei in gordels verdeeld.