Nu
[spreekt. NOU], I. bw., 1. tegenwoordig, op het ogenblik: ik heb nu geen tijd; — tot nu toe, tot heden, tot op dit ogenblik; — van nu af aan, voortaan; — hij komt nu eerst aan, zoeven is hij aangekomen; 2. op een zeker ogenblik: ze was nu eens heel aardig en dan had ze weer iets koels; —...