Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Oogenblik

betekenis & definitie

o. en m. (-en), de tijd dien men voor het slaan van een blik noodig heeft, eene zeer korte tijdruimte : zonder een oogenblik te verliezen;

— voor een oogenblik, gedurende die tijdruimte;
— in een oogenblik, vóór dat die tijd is verstreken;
— het werk van een oogenblik;
— een ondeelbaar oogenblik, de kortst denkbare tijdruimte;
— een verloren oogenblik, dat voor ernstige bezigheden niet gebruikt wordt;
— iemands laatste oogenblikken, zijn stervensuur;
— een oogenblik !, om iom. uit te noodigen even te wachten;
— eenige oogenblikken, eene korte poos;
— een tijdstip : ik had niet gedacht, dat het oogenblik zoo aanstaande was;
— de behoefte van het oogenblik, die zich op een bepaald tijdstip doet gevoelen;
— op dit oogenblik, thans;
— op een gegeven oogenblik;
— op ’t oogenblik, oogenblikkelijk, dadelijk;
— van 't oogenblik (af), dat..., gerekend van het tijdstip, waarop...;
— voor 't oogenblik, wat het tegenwoordige tijdstip betreft;
— alle oogenblikken, telkens, op ieder onmiddellijk volgend tijdstip.
OOGENBLIKJE, o. (-s).