Na betekenis & definitie

1. Na voorz. ter aanduiding van eene volgorde, achter: hij komt na mij; na elkander, de een achter den ander; — (van tijd) later dan: na dertienhonderd; na Christus’ geboorte; na zonsondergang; — ik kom na den eten; — na tafel is hij altijd spraakzamer; — na dato, (als koopmansterm); — over: na een jaar moest hij terugkomen; — na dezen, na dit oogenblik, hierna, in de toekomst. In scheidbare samenstelling met een werkwoord tredend (klemtoon op na) beteekent het bijwoord na 1° nog eens, ter aanduiding dat de werking bij herhaling geschiedt, nadat zij reeds volbracht is (nabloeien) of nadat een ander ze reeds volbracht heeft (nalezen, naëten); 2° voortgaan met, nadat de oorzaak der werking schijnbaar heeft opgehouden (nagloeien, naklinken); 3° achterna: iem. naroepen enz.

2. Na bw. (-der, naast), nabij, dicht, in de onmiddellijke nabijheid: het schip ligt na aan den wal; iem. na op de hielen zitten; iem. te na komen, (eig.) te dicht bij iem. komen; (fig.) iem. beleedigen; — hij is dat meisje te na gekomen, heeft haar onteerd; — (fig.) dat was zijn eer te na, dat liet zijn eer niet toe, dat was niet bestaanbaar met zijn eer; — dat ligt mij na aan 't hart, daar stel ik zeer veel belang in; — alle kinderen zijn mij even na, ik houd van allen evenveel; — de braven niet te na gesproken, met uitzondering van; — op drie gulden na, drie gulden ontbreken er aan; — op één na, allen behalve (of uitgezonderd) één; — op weinig na, er scheelt weinig aan; — hij komt er op geen stukken na, hij blijft er ver af, schiet veel te kort; — op verre na niet of op (bij) lange na niet, het scheelt zeer veel; — allen zijn klaar, op Anna na, behalve Anna; — hij is er na aan toe, hij staat op het punt van; — voor en na, telkens weer. (Zie NADER en NAAST).

Laatst bijgewerkt 27-09-2018