Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groothertog

betekenis & definitie

GROOTHERTOG, m. (-en), titel van sommige vorsten, die in rang tusschen den hertog en den koning staan; de Groothertog van Luxemburg. GROOTHERTOGDOM, o. (-men), het gebied van een groothertog. GROOTHERTOGELIJK, bn. van een groothertog: de groothertogelijke kroon is slechts door een andere voering van de koninklijke kroon onderscheiden. GROOTHERTOGIN, v. (-nen), de gemalin of weduwe van een groothertog; vrouw die over een groothertogdom regeert.