Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hertog

betekenis & definitie

HERTOG, m. (-en), (hist.) legeraanvoerder;

— bestuurder van een hertogdom, titel van sommige regeerende vorsten, in rang volgende op de Groothertogen de oude Hertogen van Brabant; de Hertog van SaksenCoburg;
— hooge adellijke titel in verschillende Europeesche landen, doch thans niet meer in Nederland de Hertog van York. HERTOGJE, o. (-s).