Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Rang

betekenis & definitie

RANG m. (-en), rij, orde, reeks; plaats, regeling, schikking : wij zaten op den tweeden rang; balkon eerste rang;

dat is eene machine van den eersten rang, van uitstekende hoedanigheid;
— waardigheid, aanzien : iemand van hoogen rang; menschen van elken rang en stand; in rang is een luitenant ter zee gelijk aan een kapitein van de landmacht; zijne vrouw is op haar rang gesteld, wil met onderscheiding behandeld worden:
— zijn rang ophouden, zorgen dat men met de noodige onderscheiding bejegend wordt;
— hij bekleedt een hoogen rang, eene hooge betrekking.