Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Titel

betekenis & definitie

Titel - m. (-s), opschrift, benaming op de eerste bladzijde van een boek; Fransche (eig. voorhandsche) titel, het verkorte titelblad waarmede een gedrukt boek aanvangt en dat den volledigen hoofdtitel voorafgaat:

— opschrift der afdeelingen in een boek, inz. bij rechtsgeleerden;
— (fig.) hetene onder zulk een titel gevonden wordt : rechtsgrond; aanspraak;
— benaming, aanduidende eene hooge geboorte of een voornamen stand, eerenaam : een titel voeren. TITELTJE, o. (-s).