Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Granaatappel

betekenis & definitie

GRANAATAPPEL, m. (-en, -s), de vrucht van den granaatappelboom; (ook) de boom zelf;

— (nat. hist.) zekere schelp uit het geslacht der stekelhorens (murex erinaceus);
—BOOM, m. (-en), granaatboom.