Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Nat

betekenis & definitie

Het begrip nat heeft 2 verschillende betekenissen:

1. nat - bn. (-ter, -st), vochtig, doortrokken met, gedrenkt in eene vloeistof : eene natte spons; hij is bang natte voeten te krijgen; het natte goed drogen; zoo nat als eene kat, door en door nat; (fig.) met een nat zeil thuis komen, dronken;
— hij is van de natte gemeente, houdt van een borrel;
— ik kan hem met een natten vinger beloopen, ik kan hem zoo aanwijzen als ik wil;
— hij is met een natten vinger te lijmen, te verleiden enz., zeer gemakkelijk;
— hij is nog nat achter zijn oor en, nog jong en onervaren; het natte profiel eener sluis, de doorsnede van het water in eene sluis; de natte omtrek van het profiel eener rivier, het deel ervan onder water;
— natte stoom, met veel waterdeelen vermengd;
— regenachtig, met veel regen: nat weer; een nat jaar; de natte moesson;
— vloeibaar : natte en droge waren.

2. nat - o. vocht, vloeistof : ligt er geen nat op die tafel ?; inz. water : pas op, loop niet in het nat; nu baant zich 't nat een heimelijk pad (Staring, Waterloop), voor nat en drukken te bewaren, opschrift op pakketten die men verzendt;
— ’t is alles één pot nat, zij zijn allen net eender;
— het zilte nat, de zee;
— regen : er valt nat;
— vleeschnat;
— drank : hij houdt van zijn natje en droogje, hij eet en drinkt er goed van;
— ik heb nog geen nat of droog over mijne lippen gehad, nog niets gegeten of gedronken;
— (Zuidn.) kort nat, sterke drank, jenever. NATJE, o. (-s).