Wat is de betekenis van granaatappel?

2020
2023-01-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

granaatappel

vrucht met eetbare rode pitjes. subtropische, geel-rode vrucht met eetbare rode pitjes met vruchtvlees. Voorbeelden: Van de granaatappel zijn alleen de zaden, of eigenlijk het omhulsel daarvan, in culinair opzicht van belang. Deze zaadjes worden vaak aan een fruitsalade of als decoratie voor een romig dessert, ijs of een kaastaart to...

Lees verder
2020
2023-01-29
Natuurdiëtisten Nederland

Natuurdiëtisten Nederland is een platform, inspiratiebron en kennisinstituut over voeding, opgericht door Marijke de Waal Malefijt, klinisch werkend natuurdiëtist.

Granaatappel

In tegenstelling tot wat de naam suggereert, is de granaatappel geen appelsoort. Botanisch gezien behoort deze vrucht tot de bessen. De granaatappel staat bekend om zijn hoge gehalte aan antioxidanten. Ze bevat drie soorten polyfenolen: tanninen, anthocyaninen en ellaginezuur. Dat zijn antioxidanten die helpen het immuunsysteem te versterken. Het...

Lees verder
2019
2023-01-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

granaatappel

granaatappel - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) Punica granatum, tropische plant, die bekend is om zijn vruchten, ook granaatboom genoemd 2. (fruit) vrucht van een dergelijke boom

Lees verder
1992
2023-01-29
Symbolen

Hans Biedermann

granaatappel

(Gr. rhoa, Lat. punica). Zijn in sappig vruchtvlees ingebedde talrijke zaden golden als representanten van vruchtbaarheid, de hele granaatappel als symbool van godinnen als de Fenicische Astarte (Asjtoreth), de Griekse Demeter en haar dochter Persephone (Lat.

1973
2023-01-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

granaatappel

m. (-en, -s), 1. de vrucht van de granaatappelboom (e); 2. die boom zelf; 3. schelpdier uit het geslacht van de stekelhorens. (e) De granaatappelboom (Punica granatum) is vermoedelijk afkomstig uit Iran. De vrucht heeft de vorm van een sinaasappel. De schil is glad en leerachtig, eerst groen tot purperrood van kleur, later geelbruin. De vrucht i...

Lees verder
1970
2023-01-29
Antiek encyclopedie

De grote encyclopedie van antiek

Granaatappel

de gestileerde vrucht van de granaatboom, een siermotief van oosterse oorsprong, dat vooral als gestrooid ornament voor textielpatronen wordt gebruikt.

1954
2023-01-29
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Granaatappel

Punica granatum L., delima (Indon.), is een bekende vrucht uit het Middellandse Zeegebied en verspreidde zich naar andere trop. en subtrop. gebieden.

1950
2023-01-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Granaatappel

m. (-en, -s), 1. de vrucht van de granaatappelboom ; 2. die boom zelf; 3. (nat. hist.) schelpdier uit het geslacht der stekelhorens (Murex erinaceus).

Lees verder
1938
2023-01-29
Encyclopedie voor voeding

Weer wat ge eet 1938

Granaatappel

Granaatappel is de vrucht van den granaatboom, Punica granatum, een bolronde vrucht met een harde schil van ongeveer 0,5 cm dik. De schil wordt als geneesmiddel gebruikt. Het binnenste wordt gebruikt om er grenadine van te bereiden.

1933
2023-01-29
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Granaatappel

vrucht u/h gebied der Middell. Zee en Klein-Azié, lijkt op onzen sinaasappel, maar is rood van kleur.

1933
2023-01-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Granaatappel

Granaatappel - de vrucht van den → granaatappelboom, is in de Christelijke kunst het symbool van het bloed van Christus of een martelaar; ook het symbool van het Geloof en van de Kerk, alsmede van de vruchtbaarheid. Lit.: O. Doering, Christl. Symbole (1933).

Lees verder
1930
2023-01-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

granaatappel

(gra'na:t) m. (-s) 1. Eig. vrucht van de granaat. 2. Metn. granaatboom.

Lees verder
1916
2023-01-29
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Granaatappel

Granaatappel - de vrucht van den granaatboom. Zij is bolrond ter grootte van een appel, door den kelk gekroond en door een tusschenschot in twee verdiepingen verdeeld, waarvan de bovenste 4-8-hokkig, de onderste 2-4-hokkig is; alle hokjes bevatten zaden. De harde schil komt in stukken van ongev. 5 m.M. dikte in den handel (Granaatappelschil) en wor...

Lees verder
1914
2023-01-29
West-Indië 1914

Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië

Granaatappel

SUR. en BEN. E. Zie PUNICA.

Lees verder
1908
2023-01-29
Vivat

Schrijver op Ensie

Granaatappel

en Granaatboom, zie Punica.

1898
2023-01-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Granaatappel

GRANAATAPPEL, m. (-en, -s), de vrucht van den granaatappelboom; (ook) de boom zelf; — (nat. hist.) zekere schelp uit het geslacht der stekelhorens (murex erinaceus); —BOOM, m. (-en), granaatboom.

Lees verder