Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZELF

betekenis & definitie

ZELF, bv. persoonlijk voornaamw. dat zooveel beteekent als : in eigen persoon; achter zaaknamen stelt het de zaak meer op den voorgrond (het wordt verbogen als een zwak bn. of het blijft onverbogen) hij zelf moet komen, hij mag geen ander in zijne plaats zenden;

— ik zelf heb hem gezien, ik, niet een ander heeft hem gezien;
— ik heb hem zelf gezien, ik heb hem gezien en niet een ander;
— van zichzelve(n) vallen, in zwijm vallen, buiten kennis geraken;
— zij heeft geene goederen van haar zelve, die haar in persoon toebehooren;
— (fig.) zij was de beleefdheid zelve, zij was uiterst beleefd;
— dat spreekt vanzelf, dat behoeft geene vermelding, niet gezegd, dat is zeer natuurlijk.