Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graag

betekenis & definitie

GRAAG, bn. bw. (grager, -st), hongerig, begeerig (naar spijs), gretig: gezonde kinderen, die veel loopen en springen, zijn graag; honger maakt grage magen hij dronk met grage teugen; hij is graag op visch, er op belust;

— is de een traag, de andere graag, wat de een niet wil, daar is de ander happig op;
— iem. graag (naar iets) maken, begeerig, kooplustig;
— iemand graag houden, zijne begeerte niet terstond bevredigen, de lust in hem levendig houden wou-je mei mij op reis ? ik zal je graag houden, hoor, ge behoeft niet te denken, dat het gebeuren zal;
— een grage vrijer, een vrijer die gewild is;
— bw. op gretige wijze, gretig het eten ging graag naar binnen; gaarne, met genoegen, met lust: hij doet een ander graag plezier; zij is niet graag alleen thuis; ik wil het graag hebben;
— niet of graag, met lust of in ’t geheel niet (niet met een halven zin of bij wijze van gunst);
— ik ga dol graag mede; ik ging wel zoo graag naar bed, liever;
— hij zou graag zien, dat... wenschen dat het zoo geschieden mocht;
— iemand graag mogen {lijden), met hem ophebben, hem goed kunnen zetten;
— iets graag lusten, er veel van houden, het lekker vinden;
— graag (of niet graag) hebben, al of niet gesteld zijn op ik heb graag, dat ge een praatje bij mij komt maken;
— zonder tegenstreven, gewillig: dat wil ik graag gelooven, zonder tegenspraak aannemen; ik erken graag, dat ik mij heb vergist.