Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gretig

betekenis & definitie

GRETIG, bn. bw. (-er, -st), begeerig, belust op iets een vorst, zoo eerzuchtig, zoo gretig naar macht; gretige toehoorders; met een gretig oor toeluisteren;

— bw. op gretige wijze hij tastte gretig toe, at met gretigheid; hij greep de hem aangeboden gelegenheid gretig aan, met begeerigen ijver; het boek werd gretig gekocht en gelezen. GRETIGHEID, v. begeerigheid, gulzigheid met de gretigheid van een wild dier viel hij op het eten aan;
— ijverige begeerte: hij nam het voorstel met gretigheid aan. GRETIGLIJK, bw. gretig.