Gepubliceerd op 24-02-2020

Garen

betekenis & definitie

Het begrip garen heeft 4 verschillende betekenissen:

1. garen - GAREN, o. (mv. (-s), in de bet. van soorten van garen) het uit vlas, hennep, katoen, wol, zijde of haar gesponnen draad: katoenen, wollen, zijden garen; grof, fijn garen; borduur-, bind-, breigaren;
— garen afhaspelen, het op den haspel winden;
— garen tweernen of twijnen, het uit twee of meer naast elkander gelegde draden samenspinnen;
— garen uithalen, ontwarren, (ook fig.) een vervelend, treuzelig werk onderhanden hebben; (bij uitbr.) er druilerig, verdrietig, bedrukt uitzien;
— garen verdubbelen (of doubleeren), de draden, welke getwijnd of getweernd moeten worden, evenwijdig naast elkander op den klos leggen;
— gesponnen garen, het uit de korte vezels van vlas, hennep, katoen of wol ineengedraaide garen, in tegenstelling van het getweernde of getwijnde garen, ook enkel garen geheeten;
— machinaal garen, in tegenstelling van handgaren;
— tweedraadsch, driedraadsch enz. garen, het uit twee, drie enz. draden samengesponnen getweernde garen;
— twintiggangsch, dertiggangsch enz. garen, garen waarvan twintig, dertig enz. gangen op den ketting gaan;
— (spr.) iem. draaien als een kluwentje garen, hem geheel naar zijne hand zetten, met hem doen wat men wil;
— (veroud.) zijn eigen garen rokken, of zijn eigen garen trekken (d. i. uittrekken, tot eenen draad vlijen), zichzelven alle eer toeschrijven, niemand ergens dank voor weten;
— met hem is het moeilijk garen te spinnen, met hem is geen land te bezeilen, met hem kan men kwalijk wat aanvangen, hij is moeilijk te leiden;
— daar is nooit garen van gesponnen, daar is nooit iets van gekomen;
— goed garen bij iets spinnen, zijde bij iets spinnen, ergens veel voordeel van trekken, er veel bij winnen;
— geen goed garen van iets kunnen spinnen, niets goeds of deugdelijks van iets kunnen maken;
— zuiver garen spinnen, zuiver en eerlijk handelen;
— kwaad garen spinnen, oneerlijk handelen;
— het is goed spinnen van een andermans garen, van een andermans leer is het goed riemen snijden;
— men kan van alle vlas geen goed garen spinnen, men kan niet alles ten nutte aanwenden;
— (w. g.) dat garen is maar van snuit gesponnen, dat is geringe waar;
— (gew.) het met iem. in het garen hebben, krijgen, het met hem aan den stok, te kwaad krijgen;
— getweernde linnen draden, inz. gebruikt om er mede te naaien, te breien of te borduren: een klosje garen; wit, blauw, rood garen; een kluwen garen;
— garen en band. garen, band en andere naaibenoodigdheden;
— in garen en band doen, een garenen-bandwinkel houden of met garen en band venten:
— touw, dienende tot het vervaardigen van vischnetten, vogelnetten, strikken enz., (bij uitbr.) net, dat men uitspant om er eenig levend wezen mede te vangen; ook vischnet, vlindernet; (fig.) valstrik, laag;
— (spr. alle w. g.) een garen spannen, een net of valstrik spannen, eene laag leggen;
— iem, in het garen krijgen, iem. in het net krijgen, hem verstrikken;
— iem. in het garen jagen, hem tergen, aanhitsen, kwaad maken;
— in het garen geraken, in verlegenheid, in ‘t nauw gebracht worden;
— in zijn (eigen) garen vallen, in zijne (eigen) listen verward raken;
— voor het garen zijn, op het punt zijn van gevangen te worden, van er in te loopen;
— een oude vos komt niet gemakkelijk tweemaal in het garen, een slim mensch van veel ondervinding laat zich niet gemakkelijk tweemaal op dezelfde wijze beetnemen.

2. garen - GAREN, stoff. bn. van garen vervaardigd: garen handschoenen.

3. garen - GAREN, (gaarde, heeft gegaard), zie GADEREN.

4. garen - GAREN, bw., zie GAARNE.

< >