Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WOL

betekenis & definitie

WOL, v. fijne, zachte en korte haren waarmee de oppervlakte van vele lichamen in het plantenrijk, inz. van de bladen bij onderscheidene planten, bedekt is;

— de lange, meestal krullige ineengegroeide fijne draden, waarvan de zaden veler planten omgeven zijn, b.v. bij het wolgras, de boomwol enz.;
— de fijne korte, kroeze en zachte haren van vele dieren, b.v. van sommige konijnen; inz. de fijne, krullige en dooreengegroeide zachte haren der schapen; de wol uitzoeken, ontvetten, wasschen, kaarden, spinnen, weven; sterfwol, wol van een aan eene ziekte gestorven schaap;
— (fig.) in de wol geverfd, door de wol heen zijn, geheel overgegeven aan eene ondeugd, geheel bedorven, in hooge mate onbeschaamd, brutaal; (gew.) hij is in de wol geverfd, hij zit er warmpjes in; (spr.) veel geschreeuw en weinig wol, veel drukte om niets of om eene onbeduidende zaak;
— wollen draden : met wol borduren; kousen van wol breien;
— stof uit de wol der schapen gemaakt: wol dragen; onder de wol gaan, naar bed gaan; hij is gestraft met 5 dagen onder de wol, moet 5 dagen in het hospitaal liggen, wijl de officier van gezondheid meende, dat hij zich onnoodig ziek meldde. WOLLETJE, o. (-s), wollen lap.