Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Zijde

betekenis & definitie

Het begrip zijde heeft 2 verschillende betekenissen:

1. zijde - ZIJDE, v. (-n), ZIJ, v. (-den), grensvlak van een lichaam : de zes zijden van een dobbelsteen, van een kubus; een steen op zijne smalle, breede zijde leggen; de holle, de bolle zijde eener lens;
— grenslijn eener meetkundige figuur: eene ruit wordt begrensd door vier gelijke zijden; de zijden van een driehoek;
— de grensvlakken van een lichaam met uitzondering van het bovenste en het onderste : de vier zijden eener kamer, van een huis; een toren met zes zijden; de voor-, achter-, linker- en rechterzijde van een gebouw; (meetk.) de zijden eener rechte piramide zijn gelijkbeenige driehoeken; de zijden van een heuvel, de helling ;
— de beide vlakten van een plat, dun lichaam : de beide zijden van een boomblad verschillen gewoonlijk in kleur; de goede, verkeerde zijde van eene stof, van laken; aan de eene, zijde vertoont de gulden het borstbeeld der koningin, dan de andere zijde het Nederlandsche wapen ;
— een vel druks octavo bestaat uit 16 zijden, bladzijden;
— de ruwe, de geschaafde zijde van planken, die niet op beide zijden geschaafd zijn;
— bij voorwerpen die eene duidelijke voor- en achterzijde hebben, de overgang tusschen voor en achter, inz. bij menschen en dieren : de handen in de zijde zetten ; iem. in de zijde stompen; steken in de zijde krijgen; op de rechterzijde gaan slapen;
— de zijden vasthouden van het lachen, onmatig lachen, zoodat men pijn in de zijde ervan gevoelt;
— hij is lam aan ééne zijde;
— aan iemands groene zijde zitten, aan de zijde van het hart (inz. bij geliefden);
— iem. de hooge zijde laten, de eereplaats laten ;
— iem. van ter zijde aanzien, (ook) over den schouder, minachtend;
— verliefde blikken van ter zijde werpen ;
— hij week niet van mijne zijde, hij bleef steeds naast mij ;
— iem. ter zijde staan, hem helpen (ook fig.);
— eene zijde spek, het spek van eene der zijden van een varken ;
— de zijden van een schip, de rechter- en linkerkant;
— den vijand de breede zijde bieden, hem uit de bak- of stuurboordszijde beschieten ;
— een schip op zijde halen, leggen, winden, om het te kielhalen ;
— begrenzing in de lengte : de straat aan beide zijden; langs de eene zijde van het kanaal;
— de Zijde, de HolIandsche kust;
— ruimte buiten ons in de richting der zijden: op zijde gaan, om ruimte te maken, om niet opgemerkt te worden enz.;
— iets op zijde zetten, om ruimte te maken, (ook) om het voor later te bewaren;
— geld ter zijde leggen, besparen ;
— iem. op zijde schuiven, om ruim baan te maken;
— iem. ter zijde nemen, met iem. zich van de anderen verwijderen om over iets te spreken wat de anderen niet mogen of niet behoeven te hooren ;
— (in tooneelstukken) ter zijde, wat geacht moet worden als gesproken, zonder dat de overige spelers het hooren, waarbij men het gezicht een weinig ter zijde wendt;
— ik heb het van ter zijde vernomen, zoo terloops, officieus;
— iem. van ter zijde uitteekenen, in profiel;
— scherts ter zijde, zonder gekscheren, in ernst;
— hij woont aan deze zijde van het kanaal', aan gene zijde der rivier, aan den overkant; eene gang ter zijde van het huis, naast het huis;
— ruimte buiten ons in iedere richting : de menschen kwamen van alle zijden toeloopen ; hij vluchtte naar deze zijde; de westelijke zijde ; van welke zijde kwam het onweer ?, van welken kant, (ook fig.);
— iets, iem. van alle zijden bekijken, van alle kanten ;
— wijze waarop een ding zich vertoont of men het aanziet: eene zaak van alle zijden beschouwen, het voor en tegen ervan overwegen ;
— van welke zijde men de zaak ook neme, hoe men er ook over denke ;
— bijna iedere zaak heeft twee zijden, eene licht- en eene schaduwzijde, heeft zijn voor en tegen ;
— iets van de voordeeligste zijde nemen, van den gunstigsten kant;
— iem. van eene leelijke zijde leeren kennen, een leelijken trek in zijn karakter opmerken ;
— iemands zwakke zijde, waar hij zich het minst verdedigen kan, waar hij het minst velen kan, waarin hij het minste weet enz.; iem. in zijne zwakke zijde aantasten;
— betrekking waarin personen tot elkander staan : familie van vaders-, van moederszijde, van vader, van moeder ;
— iemands zijde kiezen, zijne partij opnemen;
— iem. op zijne zijde hebben, gunstig voor zich gestemd, tot helpen bereid;
— hij kreeg de lachers op zijne zijde, men lachte ten koste zijner tegenpartij ;
— van die zijde verwacht hij hulp en steun;
— partij, inz. staatspartij: de rechter-, de linkerzijde.

2. zijde - ZIJDE, ZIJ, v. zekere kostbare stof, het afscheidingsproduct van den zijdeworm en wel het spinsel, waarin de rups hare laatste gedaanteverwisseling tot pop en vlinder ondergaat; ruwe zijde, zooals zij van de cocons komt; gekookte, verwerkte, getweernde zijde ; zijde spinnen tot draden;
— (fig.) hij zal er geene zijde bij spinnen, hij want er niets bij ;
— eene streng zijde, zekere hoeveelheid zijden draden;
— een stuk zijde, geweven stof om er kleedingstukken enz. van te vervaardigen ;
— zij was in zijde, zij had een zijden kleed aan;
— op zijde gelijkende stoffen: zijde van planten, van hout, bereid langs chemischen weg.