Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hennep

betekenis & definitie

HENNEP, m. zekere plant, van wier vezels mea touw en grof linnen vervaardigt (cannabis sativa): hennep roten, braken, hekelen;

— braakhennep, schilhennep, benthennep, mannelijke, vrouwelijke en onzijdige hennep;
— de bastvezels dezer en dergelijke planten als grondstof voor touwwerk en weefsels: Bombay-hennep, Manilla-hennep, jutehennep;
— uitgedunde hennep, hennep waaruit men de kortere vezels in hoofdzaak heeft verwijderd; schoongetrokken hennep, die geheel van de kortere deelen is gezuiverd.