Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Feestelijk

betekenis & definitie

FEESTELIJK, bn. bw. (-er, -st), als bij een feest, plechtig een feestelijk gewaad; feestelijk uitgedost zijn;

er feestelijk uitzien, als voor een feest;
vroolijk, opgeruimd in eene feestelijke stemming; ik bedank er feestelijk voor, ik bedank er hartelijk voor, ik doe het niet, onder geen beding.
FEESTELIJKHEID, v. (...heden).