Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gewaad

betekenis & definitie

GEWAAD, o. (...waden), kleeding, kleedij haar gewaad was van lichtblauwe zijde; een lang, een eenvoudig, een armoedig gewaad;

— (fig.) het kleed waarin men een schrijver, die vertaald wordt, steekt: Shakespeare in een Nederlandsch gewaad;
— dos, omhulsel, tooi: het boek is in een keurig gewaad gestoken, fraai gedrukt en gebonden; de aarde in het liefelijk gewaad der lente;
— zekere eenheid waarmee kooikers en poeliers rekenen de prijs der eenden was f 75 per 100 gewaad, per 100 heele eendvogels.