Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WIJN

betekenis & definitie

WIJN, m. (mv. -en, in de bet. van wijnsoorten), drank, uit gegist druivensap bereid ; oude wijn, die lang gelegen heeft; jonge wijn, pas gemaakt; roode wijn; witte wijn; zware wijn; lichte wijn; koppige wijn; wijn op fust, in vaten; versneden wijn, met andere soorten of met water vermengd ; blinde wijn, die troebel is ; wijn klaren, met eiwit of vischlijm helder maken ; vrij wijn, op uithangborden van tapperijen ;

— (in spr.) klaren wijn schenken, ronduit zeggen wat men meent;
— water in zijn wijn doen, zie WATER;
— wijn is zijn vriend niet, hij is een matig mensch ; gij zult eerder wijn drinken dan ik, gij zult vóór mij die belangrijke of heuglijke tijding vernemen;
— wijn drinkt, wijn klinkt, wie voor eene zaak te boek staat, dien komt men er om lastig vallen;
— goede wijn behoeft geen krans, wat goed is, behoeft geene aanprijzing ;
— als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan, beschonken lieden praten alles uit;
— van Wijntje en Trijntje houden, Bacchus en Venus dienen ; zijn wijn uitslapen, zijn roes ;
— druiven en de druivenstok : wijn bouwen ; wijn persen; de wijnoogst;
— gegiste drank uit andere vruchten bereid: bessenwijn, appelwijn, brandewijn enz. WIJNTJE, o. (-s).