Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Betrekking

betekenis & definitie

BETREKKING, v. het trekken van wissels.

—, (-en), ambt, bediening eene openbare, winstgevende ondergeschikte betrekking; zijne betrekking neder leggen; in betrekking komen; in betrekking zijn bij;
— eene betrekking zoeken, werkkring;
— iem. aan eene betrekking helpen;
dat heeft geene betrekking daarop, dat staat daarmee niet in verband;
— met betrekking tot, aangaande;
— bloedverwant; --in betrekking tot iem. staan, tot zijne verwanten behoorende; (ook) liefdesbetrekkingen met elkander hebben;
— de betrekking tusschen man en vrouw, de eigenaardige verhouding tusschen man en vrouw;
— (ook) gemeenschappelijke belangen hebben; die beide landen hebben hunne betrekkingen af-, ge-, verbroken;
— onze betrekkingen tot al de Europeesche Staten zijn. gunstig te noemen;
— (gew.) betrekking op iets hebben, zin, lust hebben het te koopen;
— zich in betrekking tot iem. stellen, zich tot hem wenden; (ook) onderhandelingen aanknoopen;
— (taalk.) verband de betrekking tusschen onderwerp en gezegde wordt uitgedrukt door overeenstemming der buigingsvormen.