ZOEKEN betekenis & definitie

ZOEKEN, (zocht, heeft gezocht), trachten te vinden (iets dat verloren is): naar een sleutel zoeken;

— ik heb mij gek gezocht naar dat boek, ik wist niet meer waar ik zoeken moest;
— zoek en gij zult vinden, of die zoekt, die vindt, met vlijt en inspanning bereikt men zijn doel;
— kruiden zoeken, opzoeken, lezen;
— fouten in een opstel zoeken, opsporen;
— ik zoek mijn broeder;
— zoo iem. is met een lantaarntje te zoeken, vindt men haast nergens; geld zoekt geld, zie GELD;
— naar zijne woorden zoeken, niet gemakkelijk spreken;
— spijkers op laag water zoeken, zie SPIJKER:
— iem. zoeken, iedere gelegenheid aangrijpen om op hem te vitten, hem onaangenaamheden te zeggen;
— trachten te krijgen : eene vrouw zoeken, verlangen te trouwen;
— een geschikt huis zoeken, om het te huren of te koopen;
— troost, hulp bij iem. zoeken; eene gelegenheid zoeken; eene betrekking, een ambt, een dienst zoeken, pogingen aanwenden die te verkrijgen; een onderkomen zoeken; een goed heenkomen zoeken, vluchten; de ruimte zoeken, het hazenpad kiezen;
— (zeew.) eene haven zoeken, naar eene haven stevenen;
— grond zoeken, door het werpen van het dieplood; het land zoeken, wanneer men meent, het in de nabijheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken;
— eigen roem zoeken;
— de schaduw zoeken, zich daarheen begeven;
— ruzie, twist, nesten zoeken;
— naar iets streven : hij zoekt u te bedriegen; iemands verderf zoeken;
— gij hebt hier niets te zoeken, gij hebt hier niets te maken;
— dat is nog ver te zoeken, dat is nog ver weg;
— dat is ver gezocht, dat is er met de haren bijgehaald;
— die waren zijn zeer gezocht, gewild, op prijs gesteld;
— op gezochte wijze, in tegenst. met op natuurlijke wijze; gezochte taal;
— dat had ik achter hem niet gezocht, daartoe had ik hem niet in staat geacht. ZOEKING, v. het zoeken; onderzoek.