Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Neder

betekenis & definitie

gewoonlijk NEER, bw. naar beneden, naar omlaag (in samenstellingen); ter neder, omver, naar beneden : ter neder werpen; op en neder, van boven naar beneden en omgekeerd: op één dag loop ik die trap wel honderdmaal op en neer;

— (ook) van het eene eind tot het andere : de straat, de kamer op en neer loopen.
(Neder, neer vormt tallooze scheidbare samenst. met werkw. waarbij dan de vorm met neder minder gewoon is; in aardr. namen is de vorm met neder de gewone).