BAADJE betekenis & definitie

o. (-s), een wijd, loshangend, tot op de heupen reikend buis, gewoonlijk om den hals sluitend met een opstaanden kraag en met ruime mouwen die slechts tot even over den elleboog reiken, van wit of blauw gestreept of gebloemd katoen, fluweel of zijde; bij vrouwen is het een opperkleed met nauwsluitende mouwen en reikt het tot aan de knieën; (in Indië badjoe geheeten);

(bij uitbr. in Ind. gebezigd van) losse witte kinder- of meisjesjurk; (scherts, ook voor) heerenkabaja of -jas; — een engsluitend kleedingstuk van zeelieden en schippers; (gew.) een buis; een borst- of hemdrok; — op zijn baadje krijgen, eene aframmeling, een pak slaag krijgen; ook hij heeft op zijn baadje gehad; — iem. op zijn baadje komen, geven, een pak slaag geven; — (gew.) zijn baadje nog eens uittrekken (tegen iets), zich terdege inspannen, (ook) zich schrap zetten om te vechten; — in zijn baadje loopen, in zijn boezeroen, geen jas aan hebben.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018