Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Buis

betekenis & definitie

Het begrip buis heeft 5 verschillende betekenissen:

1. buis - BUIS, V. (buizen), haringbuis.

2. buis - BUIS, V. (buizen), lang, hol cilindervormig voorwerp, bestemd om er vloeistoffen of gassen door te leiden of er in te bewaren (gewoonlijk wijder dan eene pijp): de buizen der waterleiding; eene tinnen, glazen buis; vgl. gasbuis, galbuis, spreekbuis, pompbuis, zuigbuis, borstbuis; buizen trekken, persen;
— (ontl.) buis van Eustachius, half beenige buis die de trommelholte met de keelholte verbindt;
— (ontl.) falloppische buis, trechtervormige verwijding van den eileider.

3. buis - BUIS, v. (buizen), (gew.) iem. eene buis geven, een pak slaag;
— (gew.) iem. zijne buis geven, hem afzeggen, de liefdesbetrekking afbreken, (soms) een blauwtje laten loopen;
— (Zuidn.) eene buis krijgen, er met eene buis af komen, niet slagen bij een examen, niet verkozen worden, afgewezen worden; (ook) iem. eene buis geven, hem afwijzen.

4. buis - BUIS, o. (buizen), eene soort van kiel van voren met één knoop dicht;
— het buis erbij uittrekken, zich moeten geven bij;
— hij heeft het buis aan, hij is gek; vgl. dwangbuis; (gew.) buis, zak.

5. buis - BUIS, bn. (gew.) hij is buis, dronken.