Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gewoonlijk

betekenis & definitie

GEWOONLIJK, bn. bw. (w. g.) overeenkomende met gewoonte of gebruik, gewoon op de gewoonlijke manier; dit was zijn gewoonlijke groet;

— bw. gemeenlijk, doorgaans: wij eten gewoonlijk o vijf uur; hij was nog bleeker dan gewoonlijk; stuur mij een kistje sigaren als gewoonlijk, als ik gewoon ben te ontvangen.