Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Elleboog

betekenis & definitie

ELLEBOOG, m. (...bogen), sterk, knopvormig uitsteeksel van de ellepijp, een der voorarmbeenderen;

gewricht tusschen beneden- en bovenarm (bij menschen en dieren);
— (spr.) hij heeft de ellebogen vrij, hij is vrij in zijne handelingen;
— zijne ellebogen goed kunnen roeren, in goeden doen zijn; (ook) zijne handen flink weten te gebruiken;
— tot de ellebogen in het geld tasten, schatrijk zijn;
—(Z. A.) de elleboog lichten, onmatig drinken;
— hij heeft het achter de ellebogen, hij voert in ’t geheim leelijke streken uit;
— iets achter den elleboog houden, iets achterwege houden;
— deel van de mouw (in een kleedingstuk) dat den elleboog bedekt;
— dat veeg ik aan mijn elleboog af, daar geef ik niets om, daar stoor ik mij niet aan;
— zijne ellebogen hangen erdoor, zijne mouwen zijn ter hoogte der ellebogen stuk;
— benedenarm, met den elleboog op iets rustende, opgericht om het hoofd te dragen het hoofd op de ellebogen laten rusten, moedeloos het hoofd laten hangen; ook ten teeken van verzet, koppigheid zie ik weer een elleboog ? ik verkies hier geen ellebogen, koppigheid, verzet duld ik hier niet;
— min of meer rechthoekige ombuiging in eene pijp of buis of straat of muur;
— gebogen buis; vgl. kromelleboogsteeg;
— een stuk kachelpijp met eene bocht;
— werktuig uit twee stukken bestaande die onder een hoek samenkomen;
— zekere lengtemaat bij de ouden, waarschijnlijk 0.45 M. lang;
— (zeew.) elleboog in een ankerketting, ronde slag, ontstaan wanneer het schip tweemaal zwaait, terwijl het voor anker ligt.