Wat is de betekenis van alleen?

2020
2021-06-21
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

alleen

Het begrip alleen heeft 6 verschillende betekenissen: 1) zonder gezelschap. zonder het gezelschap van andere personen; zonder gezelschap. 2) zonder toezicht. zonder toezicht, oppas of verzorging; onbewaakt of onbeheerd. 3) zonder hulp. zonder iemands medewerking; door niemand bijgestaan of geholpen; zonder hulp. 4) afgezo...

Lees verder
2019
2021-06-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

alleen

alleen - Zelfstandignaamwoord 1. (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen 1=Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen. alleen - Bijvoeglijk naamwoord 1. zonder gezelschap Laat mij ...

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

alleen

alleen - bijwoord uitspraak: al-leen 1. alleen maar, niets anders dan dat ♢ ze hebben alleen meisjes in dat gezin 1. enkel en alleen [uitsluitend] 2. alleen al...

Lees verder
2001
2021-06-21
Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Alleen

Een eenpersoonsbejaardenhuis.1 1 Bijdrage van P. (Ik ben ooit samen met P. aan dit boekje begonnen, maar hij is in 2011 overleden.).

Lees verder
1952
2021-06-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Alleen

adj. & adv., allinne, allinnich; louter en, inkeld en allinne, suver (en allinne), bleat; helemaal, lykme allinne, pûr allinne, spierlik allinne, yn jins ientsje, yn jins ienlikheit; — thuis zijn, frij hûs hawwe, it hûs, de hurd rom hawwe, it rom om 'e hurd h...

Lees verder
1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Alleen

I. bn. (uitsl. praedic.), 1. zonder gezelschap : ik zat urenlang alleen; die moeder laat dat kleine kind vaak alleen thuis; het is niet goed dat de mens alleen zij : de eenzame is altijd alleen, maar wie alleen is, behoeft zich daarom nog niet eenzaam te gevoelen; ook van gepersonifieerde zaken: een ongeluk komt zelde...

Lees verder
1939
2021-06-21
Koenen

Woordenboek Koenen

Alleen

I. bn. (1 niet vergezeld, buiten ander gezelschap; 2 zonder getuigen; 3 zonder hulp; 4 uitsluitend): 1. ik wil alleen zijn; erg alleen zijn; een ongeluk komt zelden alleen; 2. hij was alleen met zijn vader; iem. alleen spreken; 3. God laat mij niet alleen.

Lees verder
1926
2021-06-21
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Alleen

Dat aan dit woord een afzonderlijk artikel gewijd is, heeft zijn grond in de historie. Luther heeft n.l. in zijn beroemde vertaling van het Nieuwe Testament in de Duitsche taal Rom. 3 : 28 aldus overgezet: „So halten wir es nun, dasz der Mensch gerecht werde ohne des Gesetzes Werke allein durch den Glauben.” In onze taal overgezet luidt...

Lees verder
1898
2021-06-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Alleen

Het begrip alleen heeft 2 verschillende betekenissen: 1. alleen - Alleen bn. (praedic.), zonder gezelschap ik zat uren lang alleen; die moeder laat dat kleine kind vaak alleen thuis; het is niet goed dat de mensch alleen zij; ook een ongeluk komt zelden alleen; — zonder getuigen ik wilde u alleen spreken, ontmoeten; — zonder steun of...

Lees verder