Alleen
I. bn. (uitsl. praedic.), 1. zonder gezelschap : ik zat urenlang alleen; die moeder laat dat kleine kind vaak alleen thuis; het is niet goed dat de mens alleen zij : de eenzame is altijd alleen, maar wie alleen is, behoeft zich daarom nog niet eenzaam te gevoelen; ook van gepersonifieerde zaken: een ongeluk komt zelde...