Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Schip

betekenis & definitie

o. (schepen),

1. vaartuig van enigszins aanzienlijke afmetingen, bep. voor de zeevaart: houten, ijzeren schepen; een schip van 3000 ton; Liberty-schepen: een zeewaardig schip, dat goed zee bouwt; — per schip, (vervoerd) in een vaartuig; — een schip bevrachten, uitrusten, onttakelen enz.; — een scherp schip, dat snel zeilt; — een schip op stapel, dat men bezig is te bouwen (zie verder Stapel); — (recht.) vrij schip, vrij goed, stelregel dat neutrale schepen niet aangehouden en onderzocht mogen worden door die van oorlogvoerenden: daartegenover: de vlag dekt het schip, niet de lading, in tijd van oorlog worden slechts de schepen der onzijdigen geëerbiedigd, niet wat zij meevoeren, wanneer het contrabande is; — (spr.) een schip op strand, een baken in zee, zie Baken;
— in oneig. uitdr.: zijn schepen achter zich verbranden, zich de terugtocht onmogelijk maken; — oude of dure schepen blijven aan wal, oude meisjes of meisjes, die te veel eisen, blijven ongehuwd; — een schip met zure appelen, een opkomende zware regen- of hagelbui; (ook) een oud meisje, dat niet veel kans meer heeft te huwen; — schoon schip maken, opruimen, wegnemen al wat niet deugt; (ook) een darmzuivering houden, purgeren; — als het schip met geld komt, als ik in mijn rijke dagen kom, nooit; — (Ind.) hij is zonder schip in Indië gekomen, hij is in Indië geboren, inz. gezegd van halfbloedmensen; — het is een diepgaand schip, hij heeft veel nodig om zijn uitgaven te dekken; — groot schip, groot water, een grote huishouding kost veel geld; — groot schip, grote zorg, wanneer men grote zaken doet, heeft men veel zorg; klein schip, klein zeil, kleine huishouding, kleine zorgen; — het schip aan de zee overgeven, iem. aan zijn lot overlaten; — hij reedt mede aan dat schip, hij is mede in die zaak betrokken; — het schip dragende houden, zich in dezelfde staat houden; — het is een schip van bijleg, er moet geld bij;
2. (fig.) een zwak, een mal schip, een zwakke, resp. een dwaze vrouw; — het schip van staat, de staat als schip gedacht; — het schip der woestijn, de kameel; 3. (bouwk.) hoofdruimte of middelruim van een kerkgebouw.