Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Recht

betekenis & definitie

I. bn. bw. (-er, -st),

1. niet gebogen of bochtig : een rechte lijn is de kortste afstand tussen twee punten ; —(geneal.) rechte, lijn of linie, de lijn gevormd door een reeks opvolgingen van ouder op kind of omgekeerd, tgov. zijlijn : in rechte lijn van iem. afstammen ; — rechte, brede straten; — (zegsw.) op rechte wegen gaan, zich niet met slinkse streken ophouden ; — (spr.) de rechte weg is de beste, eerlijk duurt het langst; — wie zal het kromme recht maliën ? wie zal onrecht recht heten ? — (van een vlak) een recht plafonnetje, zonder randen, lijsten of rozetten ; (timm.) recht strijken, glad schaven ; iets recht snijden, het oneffene wegsnijden ; — rechte zagen, tgov. cirkelvormige; een rechte neus ; rechte hefboom, hefboom waarvan de armen hetzij op elkaar of in eikaars verlengde vallen; rechte trap, trap waarvan de looplijn een rechte lijn is ; een jacht met rechte voorsteven, met een bijna loodrecht naar beneden vallende voorsteven, tgov. een lepelboeg of klipperboeg ; — (van de romp) niet krom gegroeid: recht van lijf en leden zijn ; — (van een beweging) in een rechte vaart-, de rechte of de directe stoot (van een bokser); rechte klimming, zie bij Klimming; — als bw. : ik heb nooit meer een mens ontmoet die zo recht door het leven ging als hij; recht op zijn doel afgaan ; (zegsw.) de wagen gaat, loopt niet recht, het gaat niet zoals het behoort; — recht vooruit; recht omhoog; recht overeind; — een recht op en neer, een gewone klare ; — recht koers zetten naar, langs de kortste weg ; — recht door zee gaan, eerlijk voor zijn bedoelingen uitkomen, zonder omwegen zijn doel nastreven ; — iem. recht aankijken, recht in de ogen kijken, open, zonder de ogen neer te slaan; recht voor zich uit kijken; — recht voor de zaak uitkomen; — deze weg loopt recht op het dorp aan; hij kwam recht op me af-, iets recht doorsnijden; — (Zuidn.) recht voor de vuist, oprecht;
2. niet scheef of schuin; — (van een hoek) begrensd door lijnen die haaks op elkaar staan : een rechte hoek, een hoek van 90° ; — (van een voorwerp dat begrensd of in zijn hoofdrichting bepaald wordt door een of meer lijnen of vlakken die haaks staan op het vlak dat de beschouwingswijze bepaalt) het rechte deel van een kous; iets recht trekken; — (thans nog scherts.) het woord recht snijden, op de juiste wijze uit de Bijbel preken ; — bw.: de stok staat recht;
3. normaal omhoog gericht van stand of houding: (van personen) zich recht houden-, een rechte houding; zit recht overeind; zijn hoofd recht houden, ook fig., goed weten wat te doen staat; — (Zuidn.) recht geraken, (oneig.) in een ordelijke, d.i. meestal financieel gezonde toestand komen; — bw. : ze kon bijna niet recht staan van de pijn in haar lenden; recht op zijn benen staan ; — (fig.) recht in zijn schoenen staan (Zuidn. gaan), eerlijk van gedrag zijn ; — zo recht als een kaars, als een pijl, als een stok, als een spijker; — (van zaken) het schip recht leggen, stuwen, het in evenwicht brengen ;
4. zoals het als normaal beschouwd kan worden, tgov. averecht, verkeerd of omgekeerd: de rechte zijde van een voorwerp is die welke bestemd is om naar de toeschouwer toegekeerd te worden-, — (zegsw.) hoe linker, hoe flinker, hoe rechter hoe slechter, zie bij Oor (I, 1.); — een rechte steek bij het breien, oorspr. wellicht de steek van de rechte, naar de beschouwer toegekeerde zijde van een gebreid kledingstuk, (thans) steek gebreid door de pen op de als normaal gevoelde wijze, d.w.z. van voren naar achteren, in de lus te steken ; — in de juiste, normale stand; alleen praedic. : iets recht hangen ; — iets recht zetten, zie Rechtzetten ; — rechte reden, alleen in tegenst. met omgekeerde reden (zie Omgekeerd): dat de hoeveelheid warmte toeneemt met het kwadraat van de stroomsterkte en in rechte reden met de weerstand; — bw. : recht evenredig zijn, (van twee veranderlijke grootheden) in zodanige verhouding staan dat het enige malen groter of kleiner worden van de ene ten gevolge heeft, dat ook de andere evenveel malen groter of kleiner wordt;
5. (niet alg.) rechtvaardig, billijk, goed: ik kom gewapend en te paard om enen rechten kamp te wagen (v. Lennep); is dit eerlijk en recht ? (Quack); — slecht en recht, zie bij Slecht; — (spr.) het geld, dat stom is, maakt recht wat krom is, zie bij Geld (I); — (van een persoon, bijb.) een schepsel Gods, goed en recht (Beets); (prot.) onze staat is niet recht; vgl. Rechtheid (2.); — bw.: hij handelt niet recht;
6. in overeenstemming met de eis der omstandigheden, de menselijke wil of bedoeling, vereist, juist, goed : dat men moeder zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben (Beets); hij deed de deur, die hij voor de rechte hield, maar ineens open ; dat is niet de rechte manier om zijn doel te bereiken ; de rechte oorzaak weet ik niet; — het rechte van iets weten, zoveel weten als men eigenlijk zou moeten weten, de precieze feiten weten ; — het is het rechte niet, het is niet zoals men het zou willen ; — ter rechter tijd, op het juiste ogenblik: — (litt. t.) ben ik hier op de rechte weg naar Leiden?; (meestal oneig.) het rechte pad, spoor, de rechte weg, weg die men in een gegeven situatie moet kiezen om zijn doel te bereiken; iem. op de rechte weg helpen, (fig.) hem uit een dwaling helpen; — het bij het rechte eind hebben, zie bij Einde ; — het hart op de rechte plaats hebben, niet hardvochtig, medelijdend zijn; — bij hem ben je aan het rechte kantoor, bij hem moet je juist wezen, (ook iron.) bij hem zal je ook wel niet veel verder komen; — (van personen) hij is daar de rechte man niet voor, niet de persoon die daarvoor geëist wordt ; hij is de rechte man op de rechte plaats, als geknipt voor die betrekking ; de rechte Jozef, zie Jozef ;
7. (veroud.) in hoge mate de eigenschap bezittend die door het bepaalde zn. wordt uitgedrukt, echt: ik geloof dat je een rechte gauwdief bent (Schimmel);
8. (over ’t alg. veroud.) in overeenstemming met de juridische feitelijkheid; wettig, geldig, rechtmatig: (Zuidn.) een mens van het rechte bedde, een braaf mens; — (bij verwantschapsnamen) zijn laatst overgebleven familielid, een rechte nicht;
9. in overeenstemming met het waarachtige wezen, echt, eigenlijk : bij gemis van zulke kostbare familiestukken gevoelde hij de rechte waarde daarvan ; tot recht verstand van zaken diene ... ;
10. als versterkend bw., echt, helemaal, ten volle: het is recht jammer; recht gelukkig was hij nooit; dat voorval had hem eerst recht woedend gemaakt; recht kennen, weten ; — recht zo! juist zo ! goed zo ! — ik ben er nooit recht achter gekomen ; — niet recht snik, wijs, bij ’t hoofd zijn, niet helemaal bij zijn verstand zijn;
11. (in vrij gebruik veroud., in versch. vaste verb. nog gewoon) precies, juist, pal: het schrift recht voor zich hebben ; zijn kamer is recht boven de mijne ; hij woont recht tegenover mij;
12. (veroud., nog Zuidn.) aan de rechterkant, rechter: zijn rechte arm; ziedaar mijn rechte hand, want wij verstaan elkander (De Génestet); aan uw rechte kant.

II. o. (-en),

1. (g. mv.) gerechtigheid, rechtvaardigheid, billijkheid: het recht handhaven; voor recht en waarheid strijden; iem. recht doen, rechtvaardig over hem oordelen ; met recht kunt u zeggen, op goede gronden ; men beweert te recht of ten onrechte, met meer of minder grond; zonder recht iem. verdenken, zonder dat er reden toe bestaat; — genade voor recht laten gelden, zie bij Genade; — volgens recht en billijkheid; naar recht; recht is recht, gezegd als men een beslissing neemt die een der twee partijen onaangenaam is of kan zijn; recht moet recht blijven, men moet het recht niet verdraaien, geen onrecht als recht trachten voor te stellen ; — het recht buigen, naar zijn voordeel uitleggen ; — het recht met voeten treden, in strijd er mee handelen ; er is geen recht meer in het land, de rechters zijn omkoopbaar; — één penning met recht gaat boven duizend met onrecht, eerlijkheid gaat boven alles; — dat is tegen alle recht (in), daarmee in strijd; geweld of macht gaat daar boven recht (Zuidn. tegen ‘t geweld en is geen recht), de sterkere kan er zijn wil doordrijven;
2. de bijzondere belichaming van de gerechtigheid of rechtvaardigheid, rechtsgewoonte, complex van rechtsregels: het ongeschreven recht, dat niet in een wet is vastgelegd, tgov. het geschreven recht; —het is om het recht van ’t spel, om de regels van het spel, om het spel zelf, niet om het gewin of het voordeel; —inz. wettelijke voorschriften en bepalingen, die de onderlinge betrekkingen tussen de leden van een maatschappij regelen: het Romeinse en het hedendaagse recht; materieel recht, wat voor het subject in de wet is neergelegd ; formeel recht, de manier waarop de rechtsregels worden gehandhaafd ; het wijsgerig recht, dat in theorie bepaalt hoe het recht moest wezen; het stellig recht, dat op gezag van een bepaalde gemeenschap is vastgesteld en voor deze geldt; positief recht, zie ald.; publiek en privaat recht; administratief recht; militair recht; burgerlijk recht, tgov. strafrecht; absoluut en relatief recht; internationaal en Nederlands recht; — (bijb.) goddelijke wet: wandelende in al de geboden en rechten des Heren onberispelijk (Luc. 1:6); — de beide rechten, oorspr. het wereldse (Romeinse) en het geestelijke (canonieke) recht, naderhand het Romeinse en het Vaderlandse recht: doctor in de beide rechten ;
3. (vandaar uitsluitend in ’t mv.) rechtsgeleerdheid : meester in de rechten, voorheen titel van een doctor in de rechten ; thans van hem die het doctoraal examen in de rechten heeft afgelegd ; in de rechten studeren, student in de rechten ; in de rechten thuis zijn ;
4. (g. mv.) gelijk : recht hebben, gelijk hebben (thans als germanisme geïnterpreteerd en gevoeld, hoewel het dit oorspr. niet was); het recht aan zijn zijde hebben;
5. wettelijke of zedelijke bevoegdheid, gewettigde aanspraak op ; wat iem. toekomt: hij kon met goed recht niets zeggen ; met meer of minder recht; in zijn recht zijn ; tot zijn recht komen, (meestal oneig.) zich voldoende kunnen doen gelden, voldoende uitkomen, op de voorgrond treden enz.: bij deze belichting komt dit schilderij niet geheel tot zijn recht; iem. recht doen, laten wedervaren ; zichzelf recht verschaffen ; uw recht zal u geworden ; hij kon niet aan zijn recht komen; behoudens mijn recht, behalve mijn aanspraken; op zijn recht staan, eisen, verlangen waarop men aanspraak kan doen gelden; een zaak tot haar recht brengen, laten komen, bewerken dat zij op haar juiste waarde geschat wordt; het recht van de sterkste uitoefenen, anderen dwingen zijn zin te doen ; — zijn recht als eigenaar doen gelden ; naast plichten staan ook rechten, gezegd tegen superieuren ; naast rechten staan ook plichten, tegen ondergeschikten gezegd; dat is uw recht: ik verlang niets dan mijn recht; iemands rechten eerbiedigen, hem geven wat hem toekomt; geef iedereen zijn recht, geef ieder het zijne (eig. en fig.): iemand in zijn recht krenken, te kort doen ; — (spr.) waar niet is, verliest de keizer zijn recht, waar niets te halen is, kan men ook met rechtsmacht niets verkrijgen; goed recht behoeft dikwijls goede hulp, vaak moet men zijn aanspraken doen gelden met de hulp van anderen, anders komt men er niet; — de zaak waartoe de bevoegdheid zich uitstrekt staat in een bepaling ingeleid met op, tot of om : je hebt recht op een beloning, op hoger loon, op steun ; hun vermeende rechten op de nalatenschap : wat stelt hij zich arrogant aan! daartoe heeft hij niet het minste recht; wie geeft u het recht om zo te spreken?: recht om te kiezen, te vergaderen ; hij heeft daar het recht om te jagen, te vissen; — ingeleid door een bepaling met van: recht van spreken, van meepraten hebben ; de leden der Tweede Kamer hebben het recht van initiatief en van amendement (zie ald.); recht van eerstgeboorte, op wat men als eerstgeborene heeft; recht van eigendom ; de koningin heeft het recht van gratie, zij alleen mag gratie verlenen aan bij rechterlijk vonnis veroordeelden; recht van petitie, bevoegdheid aan ieder ingezetene van het Rijk toegekend om schriftelijke verzoeken tot de beide Kamers der Staten-Generaal te richten ; huis van verkoop met recht van wederinkoop, pandjeshuis ; recht van vruchtgebruik, recht om eens anders goed te gebruiken en de vruchten daarvan te genieten ; recht van erfpacht, van grondrenten, van beklemming, zie ald.; recht van opstal, recht om gebouwen, beplantingen enz. te mogen hebben op eens anders grond ; recht van overpad, voor een stuk land dat door een of meer andere stukken van de weg gescheiden is; recht van uitweg of noodweg, recht om over eens anders bezitting een uitgang te hebben ; recht van onderzoek, recht om alle schepen in zee te onderzoeken, ingevolge een of ander tractaat; — met een bn.: een zakelijk recht, dat op materiële gronden (bewijsstukken, acten enz.) berust, tgov. een zedelijk of moreel recht, dat alleen gegrond is op de eisen en normen van de zedenwet; een uitsluitend recht, dat anderen niet hebben ; — in ’t mv. ter aanduiding van de gezamenlijke bevoegdheden die aan een bep. stand of positie verbonden zijn : de rechten en plichten der burgers ; de rechten van de kroon ; de rechten en vrijheden van het volk ; de rechten van de mens, bepaaldelijk die door de Franse Constituante (1789) werden omschreven ; de oudste rechten hebben ;
6. (Zuidn., R.-K.) uitsluitend in het mv. rechten: de sacramenten der stervenden (eig. wat hun voor de ,,grote reis” toekomt, waar ze aanspraak op kunnen maken): hij stierf gesterkt door al de rechten der H. Kerk; zijn heilige rechten ontvangen; — onder de kerkelijke rechten liggen, de laatste sacramenten ontvangen hebben;
7. door een overheid opgelegde heffing, belasting : de tabaksfabricage is aan een klein recht onderworpen; voor kwitantiën is een recht van 10 cent verschuldigd ; het recht betaald voor het vanwege het Rijk uitgegeven gezegeld papier ; vrij van rechten ; een recht heffen op ; — met een bepaling die de aard van de belasting uitdrukt: de rechten op de suiker verlagen; recht op de firma, het bedrag dat betaald wordt voor de waarde der zaak boven de waarde van het werkelijk daarin aanwezige; (ook) bedrag dat betaald wordt voor het mogen blijven voeren van een firmanaam ; — recht van invoer, uitvoer ; recht van successie, registratie, wat voor het registreren door de erven betaald moet worden ; recht van zegel, belasting op bep. schriftelijke stukken ; — met een bn.: inkomende en uitgaande, in- en uitgaande rechten, belasting op het in- en uitvoeren van goederen ; beschermende rechten, hoge invoerrechten waardoor de binnenlandse industrie wordt beschermd tegen buitenlandse concurrentie; vast recht, tgov. evenredig of proportioneel recht; fiscale rechten, invoerrechten ; specifieke rechten, die naar de hoeveelheid der goederen geheven worden; — (ook) bij wettelijk tarief vastgestelde geldelijke vergoeding voor door overheidsinstellingen of -personen verrichte diensten, leges: het voor onderzoek in het archief verschuldigde recht;
8. het vaststellen van wat rechtvaardig is in concrete gevallen, het doen van een gerechtelijke uitspraak in overeenstemming met de wettelijke voorschriften en bepalingen, rechtspraak, rechtspleging: recht vorderen, verzoeken, vragen, zoeken ; recht doen, spréken, de rechtspraak uitoefenen ; kort recht doen, vlug een beslissing nemen; (Zuidn.) kort recht met iem. spelen, hem doden: (Zuidn.) kort recht met iets spelen, spoedig een eind er aan maken; het recht moet zijn loop hebben;
9. concrete rechtshandeling, proces: iemand in rechte vervolgen, aanspreken; een zaak in rechte vervolgen, voor het gerecht brengen ; de weg van rechte inslaan ; ontkennen is de eerste regel in rechte ; partijen die niet zelve in rechte kunnen staan ; de minderjarige die niet in rechten kan optreden ; de overwegingen in rechte ;
10. (w. g.) gerecht, rechtsprekend college : iemand voor het recht roepen; zo daag ik u voor ’t recht (v. Lennep).