Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Uitrusten

betekenis & definitie

(rustte uit, heeft en is uitgerust), rusten tot men niet moe meer is : ben je nu helemaal uitgerust? een vrije dag om uit te rusten; — veelal in iets zwakker opvatting, nauwelijks verschillend van rusten, maar toch met de gedachte aan het herstel van krachten : je hebt een eind gelopen, rust nu maar wat uit; willen we even uitrusten?