Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Instellen

betekenis & definitie

(stelde in, heeft ingesteld),

1. in wezen, tot stand brengen, invoeren, oprichten, stichten: de orde van het Gulden Vlies is ingesteld door Philips de Goede; nieuwe bisdommen instellen; — (Zuidn.) uitschrijven : een prijskamp instellen;
2. op touw zetten, ter hand nemen, beginnen: een omlerzock, een actie, een strafvervolging, een eis enz. instellen;
3. (Zuidn.) inzetten, op een verkoping het eerste bod ergens op doen;
4. (Zuidn.) iem. instellen, hem van het nodige voorzien, van voorraad bij het openen van een winkel, van huisraad bij zijn huwelijk ;
5. (w. g.) een toon, een gezang instellen, inzetten, aanheffen ;
6. op de gezondheid van iem. instellen, een toost uitbrengen op ;
7. (van toestellen) ze zó stellen dat ze voor een bepaald gebruik geschikt zijn; inz. van optische toestellen: een microscoop instellen, zo stellen dat men het waar te nemen voorwerp zo scherp mogelijk ziet; lenzen, een camera scherp instellen;
8. (w. g.) de zomer stelt zich mooi in, begint mooi.