Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Stand

betekenis & definitie

I. STAND

m. (-en),
I. In aansluiting bij staan (I).
1. wijze waarop iem. staat, houding: zich in verschillende standen laten fotograferen; — plastische standen, schilderachtige houdingen die men enige tijd onbeweeglijk bewaart ; fraaie standen aannemen; — (gymn.) open staan, staan met de benen op enige afstand van elkaar; gesloten stand, met de benen naast elkaar;
2. wijze waarop iets staat of geplaatst is : de stand van de palen ; de stand van het hoofd, van de ogen; de uiterste stand van een gewricht, die waarbij geen verdere beweging mogelijk is ; — de stand van de zon, van de maan, van de sterren, de plaats waar zij zich aan de hemel bevinden met betr. tot elkaar of tot enig punt van hun baan ; — de stand van de hemel, de constellatie der hemellichamen; — de vier standen der maan, de schijngestalten; — met betr. tot de hoogte, t.w. het punt waartoe iets op een bep. ogenblik gestegen is of gedaald : de stand van het water; hoge, middelbare, lage standen ; — de standvan de thermometer, barometer, de hoogte die zij aanwijzen ; — met betr. tot een waardepeil: de lage stand van de buitenlandse valuta; de stand van de beurs, de koers ; de stand der prijzen, hoe hoog alles geprijsd is; — met betr. tot de wijze waarop iets zich voordoet, gesteldheid naar de kwaliteit: de stand der gewassen;
3. (van gebouwen) plaatselijke gelegenheid of ligging, hetzij met betr. tot de bestemming of tot de sociale gesteldheid van de bewoners der omgeving : dit huis staat op een goede stand om er een winkel in te beginnen, is daarvoor gunstig gelegen ; zij wonen op een deftige stand ; dat is geen stand om op te wonen voor een professor ; de stand moet men bij een huis ook betalen ;
4. wijze waarop iets zich bevindt; toestand, gesteldheid met betr. tot een verloop, ontwikkeling, werking enz., staat: de stand van zijn vermogen ; de stand van zaken; de stand van het spel; de stand der partijen, in een spel, een strijd, een proces ; — de tegenwoordige stand van de wetenschap ; — (met betr. tot personen) burgerlijke stand, eig. de maatschappelijke toestand van burger ; (vandaar) het bureau op een gemeentehuis waar alle aangiften betreffende geboorten, overlijden, huwelijken en echtscheidingen moeten gedaan worden : een kind bij de burgerlijke stand aangeven;
5. rang in de maatschappij: mensen van elke rang en stand; boven zijn stand gekleed gaan ; beneden zijn stand trouwen; overeenkomstig zijn stand wonen ; in zijn stand blijven ; zijn stand ophouden ; de geestelijke stand ; iem. van stand-, een aanzienlijke; — (mil.) lage rang in het leger of op de vloot, in tegenst. met de daarboven staande rangen: de stand van matroos of soldaat;
6. gevestigde positie in de maatschappij door beroep of bezit: een kind heeft geen rechtsvordering tegen zijn ouders tot het bekomen van een gevestigde stand door huwelijksuitzet, of op een andere wijze ( B.W., a. 375);
7. (coll.) de gezamenlijke, tot zekere maatschappelijke rang behorende personen: de standen van de maatschappij; de hogere, de lagere standen ; de gegoede stand, de burgerstand ; sedert de middeleeuwen kende men gewoonlijk drie standen, t.w. adel, geestelijkheid en burgerij (de derde stand), later ook een vierde stand (de arbeiders).

II. In aansluiting bij staan (II).

8. het vast of stevig overeind staan : zolang de eerste Tabernakel nog stand had (Hebr. 9:8); die ladder heeft geen vaste stand, staat niet vast;
9. (oneig.) wezen, aanzijn, bestaan : iets in stand houden ; dat zal wel in stand blijven ; — tot stand brengen, het aanzijn geven, vormen, maken : hij heeft veel goeds tot stand gebracht; — tot stand komen, opgericht, gemaakt, uitgevoerd worden : die wet zal wel nooit tot stand komen ; het verdrag kwam tot stand;

In aansluiting bij staan (III).

10. het blijven staan op dezelfde plaats: de jonge beeldhouwer zocht leven, beweging, niet de rust van de stand ;
1. (Barg.) hoop mensen bijeen, oploop : een standmaken, een hoop mensen om zich verzamelen ; zie Standje;
12. plaats waar iem. of iets staat, zich bevindt of verblijft: de standen voor de paarden zijn van elkaar gescheiden door latierbomen ; — (jag.) plaats -waar een stuk grof wild gewoonlijk zijn verblijf houdt; — plaats van een locomotief in de remise ; — staanplaats: op de markt heeft hij een vaste stand;

IV. In aansluiting bij staan (IV).

13. het tot staan komen of halt maken ; stilstand : (gew.) tot stand komen, b.v. van iem. die in zijn jeugd sterk geleefd heeft, maar wiens wilde haren er eindelijk uit zijn.

II. STAND (< Eng.), m.(-s),

1. plaats op een tentoonstelling, jaarbeurs enz. waar de producten van een fabriek enz. vertoond worden;
2. toeschouwerstribune bij een wedren.