Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boor

betekenis & definitie

I, v. (boren).

1. werktuig om gaten te maken in een harde stof, bestaande uit een scherp boorijzer met kruk of met omslag, zwengel, en knop waarmee het wordt rondgedraaid; er zijn zeer vele soorten; — gewonden boor, met schroefsgewijze gewonden stalen stang; — halfronde boor, in de vorm van een over zijn as doorgesneden cylinder; — men moet met een zaag kunnen boren en met een boor kunnen zagen, in geval van nood moet men zich weten te behelpen; vgl. appel-, boter-, hooi-, veen-, welboor enz..
2. (gew.) lange, smalle, rechte spade om klei te steken.

II. o., gebruikelijke verkorting van borium.