Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Scherp

betekenis & definitie

I. bn. bw. (-er, -st),

1. goed snijdend, goed geslepen (tgov. bot): scherpe messen, sabels, zwaarden, zeisen, scharen ; met scherpe wapens vechten : — scherpe lepel, een heelkundig instrument; — (fig.) de honger is een scherp zwaard, het is pijnlijk niet te eten te hebben, (ook) door de honger gedreven zal men veel dingen doen die men anders af keurt; — een zaag scherp zetten, de tanden iets naar buiten om en om zetten; —
2. met een fijne, inz. een geslepen punt; fijn, spits: scherpe naalden ; scherpe dorens; een scherp potlood; maak die punt wat scherper; — een paard scherp zetten, beslaan, met ijsnagels of scherpe kalkoenen beslaan, zodat het op ijs en sneeuw niet uitglijdt;
3. geschikt om insnijdingen of striemen te maken : scherpe roden; — zo dat er striemen enz. ontstaan: iem. scherp geselen ; ook fig.—
4. (zonder gedachte aan snijden of steken) in een punt of smal en spits toelopend : scherpe hoeken, kanten ; — (wisk.) een scherpe hoek, die kleiner is dan 90°; — niet rondachtig : een scherpe kin ; scherpe trekken ; — (zeew.) een scherp gebouwd schip, smal, met spits toelopende stevens, waardoor het snel kan varen ; een scherpe boeg ; — volgens een lijn die een scherpe hoek vormt met een andere : een scherpe daling van de rubberkoersen; scherpe temperatuursovergangen ; — scherp zeilen, zoveel mogelijk bij de 'wind ; — een scherpe wind, die nagenoeg tegen waait; 5. zich scherp zetten, zich schrap zetten; (fig.) niet toegeven; — scherp staan, van geen wijken 'willen weten ; — (van honden) geneigd mensen te bijten;
6. met kleine harde punten of kanten en daardoor niet zacht aanvoelend : scherp zand; scherpe suiker, met duidelijk zichtbare of voelbare kristallen ; — (plantk.) riet- en grassoorten hebben scherpe bladen, met harde puntige tanden of haken aan de randen; (diam.) de schijf is scherp, niet volkomen glad geschuurd;
7. met vermogen te wonden of te doden: scherpe patronen;
8. een sterke, soms pijnlijke indruk op de zinnen makend, bijtend: scherpe mosterd, peper, tabak, kaas ; een scherp vocht; scherp water, salpeterzuur; — de lucht, de wind is scherp, snijdend koud ; — scherpe koude, vinnige koude ; — een scherp geluid, doordringend ; een scherp licht;scherpe pijnen, hevige, doordringende;—(spraakk.) scherpe medeklinkers, die stemloos, met een krachtig schurend geluid worden uitgesproken;
9. met kracht optredend : door de scherpe droogte verdorde alles ; —
10. (van uitingen en van pers. met betr. tot hun uitingen) een ongunstig oordeel, een afkeurende mening pijnlijk of onvriendelijk doende gevoelen of doende uitkomen, bijtend, vinnig : scherpe kritiek, spot; een scherp verwijt, antwoord; een scherpe berisping; iem. scherpe woorden toevoegen ; scherp beoordelen, uitvallen ; — een scherpe pen voeren, scherp kritiek oefenen ; — een scherpe tong hebben, bits, vinnig spreken;
11. streng : een scherp verbod; scherpe plakkaten gaven scherpe tegenstand; — (oudt.) scherp recht, in toepassing op de doodstraf; — op strenge wijze; met grote oplettendheid, nauwkeurig, zorgvuldig en zonder zwakheid : scherp examineren, onderzoeken; iem. een scherp verhoor afnemen ; scherp toezicht oefenen ; iem. scherp bewaken ; scherp op iets letten;
12. nauwkeurig en duidelijk uitkomend, met duidelijke onderscheidingen (in tegenstelling met wat onmerkbaar in elkander overgaat): een scherpe afbakening, onderscheiding, grens; iets scherp tekenen, schaduwen ; die lijnen moeten wat scherper worden ; met deze kodaks kan men scherpe beelden maken ; scherp gestempelde munten; het besneeuwde kerkdak kwam tegen de donkerblauwe hemel scherp uit; iets scherp uit laten komen, het accentueren; —
13. met fijn onderscheidingsvermogen, gevoelig of doordringend : een scherp gehoor, gezicht hebben ; scherp zien, horen, toeluisteren ; — hij ziet scherp, merkt dadelijk waar het op aankomt; — iem. scherp aanzien, in de ogen zien, hem doordringend aanzien ; — een scherp verstand ; scherp opmerken ; iets scherp in het oog vatten;
14. (spraakk.) scherpe e en o, die uit tweeklanken zijn ontstaan, scherplang;
15. zo dat er weinig speelruimte blijft; scherp concurreren, zodat er slechts een kleine winstmarge overblijft; — (gew.) ternauwernood ; —
16. in sterke, hevige mate;

II. zn. o.,

1. snede of punt van een wapen of werktuig : het scherp van de sabel, het scherp van een mes ;
2. wat dient om met vernielende uitwerking geschoten te worden, kogels, schroot: een geweer met scherp laden ; met scherp schieten ;
3. een mixtuur in het orgel zo geheten naar haar schel geluid;
4. ijzeren punten waarmee de hoefijzers van paarden worden voorzien op gladde bodem of op ijs;
5. (zeew.) alle ijzerwerk aan boord: groot en klein scherp;
6. harde, kantige of snijdende voorwerpen die in de maag van het vee terecht kunnen komen met het voedsel; — ook een daardoor ontstane ontsteking.