Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boren

betekenis & definitie

(boorde, heeft geboord),

I. overg. en abs.,
1. door het ronddraaien ener boor een hol of gat (door en door of tot op zekere diepte) maken: een gat in een plank boren; op de draaibank boren; — in vrijer gebruik: een tunnel boren, die maken.
2. doorboren: de hersenpan boren, trepaneren; — een schip boren, met een smalle avegaar gaten boren in de houten, ten einde aan het boorsel te zien in welke staat het hout verkeert; — een schip in de grond boren, het zodanig beschieten of torpederen, dat het zinkt; fig.: dat heeft hem in de grond geboord, dat heeft hem financieel ten onder gebracht; — grond, boter, kaas boren, er een zekere hoeveelheid uitboren om de hoedanigheid te onderzoeken, de diepte te peilen enz.; — uitboren, massieve stukken metaal tot cylindervormige buizen uithollen: een karton, een pompbuis, een stoomcylinder boren;appels boren, het klokhuis uitsteken; — kiezen boren, ten einde ze te plomberen.
3. iets al draaiende ergens in of door heen drijven, steken: een os een ring door de neus boren; iemand een degen door ’t lijf boren; — iemand iets door de neus boren, hem iets onthouden, waarop hij meende te kunnen rekenen of recht te hebben, niet betalen, inz. zaken die op de borg gehaald zijn, en die de leverancier vergeten heeft; (ook) iem. iets afzetten; dat is je door je neus geboord, dat is je ontgaan.

II. (onoverg.) door iets heen of in iets doordringen: de vijand boorde door onze slagorde; de molenwiek boorde wel twee meter in de grond; — in een geheim boren, er in doordringen; — (dicht., van bomen, torens, bergen) zich hoog in de lucht verheffen; — (van geluiden, van licht of van de blik) doordringen: een lichtstraal boorde door de nevel.