Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Bak

betekenis & definitie

I. BAK

I.m. (-ken),
1. min of meer vierkant, doosvormig voorwerp, in beginsel zonder deksel, dienende om iets in te bergen of te bewaren: in een winkel heeft men verschillende bakken voor rijst, meel enz.; — een bak voor aardappels, om die in te bewaren of te schillen; — dergelijk voorwerp, meestal met deksel, om turf, kolen enz. in te doen, om as, vuilnis in te verzamelen; — (meton.) een hoeveelheid als in een bak gaat: een bak cokes ; — lade aan een kachel waarin as enz. wordt opgevangen, die door de rooster valt, asbak ; — ook als in de grond gemetselde bewaarplaats, inz. voor water; vgl. regenbak, waterbak ; —
2. laag getimmerte, ook wel van steen, met glas gedekt, waarin gewassen gekweekt worden: sla uit de bakken en niet van de koude grond; — koude bakken, die niet kunstmatig verwarmd worden; vgl. broeibak ; —
3. deel van een wagen dat op het onderstel rust, bovenbouw : wagens met een vaste, losse bak; — bij uitbr. (scherts.) rijtuig, zie Bakje; — (roeisport) oefentoestel op het droge voor roeien op rollend zitbankje;
4. (veend.) mengbak ; — een bak hebben, werk bij een veenbaas hebben; — de bak begint dit jaar vroeg, het mengen; — naar de bak gaan, veenarbeid verrichten ;

in de bak staan, de veenspecie fijnmaken (terwijl de andere arbeider spit of baggert);

5. langwerpig vat, trog, kribbe waarin de runderen, paarden, varkens enz. gevoederd worden; — (fig.) zij gaan als de zwijnen aan de bak, zonder te bidden; — hij knort aan de volle bak, nooit is hij tevreden ; —
6. (bij vergel.) lomp, plomp voorwerp : een bak van een wagen, van een hoed; vgl. bakbeest;
7. (scheepst.) houten balie waarin de warme spijs voor de schepelingen van de kok wordt gehaald : aan de bak eten de baksmaats ; — (fig.) geen slag aan de bak kunnen krijgen, niet aan de beurt —, door het praten van anderen niet aan het woord kunnen komen; — schaften aan bak nul, voor straf niet aan de gemene bak mogen komen, maar alleen moeten eten in het galjoen ; — stilte aan de bak! stil daar! — (gemeenz.) aan de bak, aan de familiedis; — (bij overdr.) afdeling matrozen die samen eten, dienst doen enz.;
8. voorste gedeelte van het opperdek (eert., op zeilschepen, van de apostelen tot een eind achter de fokkemast); dat gedeelte, inz. onder een afz. dek, ingericht tot logies van het scheepsvolk ; de ruimte onder dit dek heet dan onder de bak ; — (gemeenz.)
9. gevangenis, nor, arrestantenhok : in de bak zitten ; iem. naar de bak brengen ;
10. (vero.) in schouwburgen: de zitplaatsen op de begane grond, thans parterre ;
11. (scherts.) kweekschool voor onderwijzers ; (Zuidn.) internaat; —
12. schoteltje: kop en bak ;
13. kop ; zie Bakje;
14. (voorheen en gew.) maat, pl.m. een vierde hectoliter ; (Zuidn.) maat voor natte waren, een achtste liter; (spr.) het regent, alsof het met bakken (emmers) van de hemel wordt gegoten, het giet.

II. BAK

m. (-ken),
1. (gew.) het bakken ;
2. baksel: brood van dezelfde bak;
3. baksteen, plavuis;
4. (gemeenz.) grap, poets: dat is me ook een bak ; bakken uithalen; iem. een bak leveren, hem een poets bakken.

III. BAK bw., in de scheepst. bak liggen, zodanig dat de wind van voren komt; (van zeilen) bak staan, naar achteren bol.