Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Meer

betekenis & definitie

I. (meren),

1. o., (veroud. en dicht.) zee: de zonne zonk in ’t meer.
2. o. en v., binnenwater van enige omvang, inz. een met water gevuld bekken.
3. v., polder ontstaan door het droogleggen van een meer (2.); (gew. inz.) de Haarlemmermeer: hij werkt in de Meer.

II. v. (meren), (gew.) merrie.

III. I. bw.,

1. sterker, in hogere mate: (bij verbale uitdrukkingen) meer dan elk ander leed hij honger; — bij bn. en bw., inz. wanneer een comp. op -er minder welluidend zou wezen: men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan de mensen (Hand. 5:29); wanneer twee hoedanigheden, toestanden enz. met elkander vergeleken worden en het ene meer op de voorgrond komt: deze kamer is meer lang dan breed; hij werd meer dood dan levend uit het water gehaald; — meer bepaald hierom; meer of minder gunstige levensvoorwaarden; — min of meer, (ook) in zekere mate, enigszins: alles wat min of meer te gebruiken was; — meer en meer; — des te meer; te meer: het werk had niet meer zijn volle aandacht, te meer daar zijn gezondheid hard achteruit ging.
2. veeleer: hij was eigenlijk meer verbitterd dan ontmoedigd; dit komt meer op rekening van de uitgever dan van de schrijver.
3. verder boven hetgeen reeds genoemd is: wie waren er nog meer op het feest? — en zo meer: verschillende sporten, zwemmen, roeien en zo meer.
4. verder met betr. tot de tijd: hij kan niet meer werken; daar was geen leven meer in; — niet meer zijn, gestorven zijn: hij is niet meer; —

II. zelfst., ter aanduiding van iets dat in hoeveelheid iets anders overtreft of van het verschil waarmee het ene het andere in hoeveelheid te boven gaat: de vrijheid is meer dan het leven; een meer en een minder;onder meer;zonder meer, eig. zonder iets daarbij te voegen, vervolgens ook: terstond daarop; — wat meer is; — hij is weinig meer dan een dilettant.

III. onbep. telw.; hierbij wordt meer gedacht aan een hoeveelheid dan aan datgene waarvan het een hoeveelheid is: hij heeft meer boeken dan ik; — (abs.) hij wil steeds meer en meer hebben: hoe meer men heeft, hoe meer men hebben wil; — (spr.) dat smaakt naar meer, is heel lekker, bevalt uitstekend; — (met een gen.) nog meer schoons is hier te zien; — gevolgd door een bepaling met van: ze zei eerst dat ze geen zin had-, en zo meer van die dingen; — in vergelijking met andere telwoorden verbonden: een woord van twee of meer lettergrepen; — meer dan eens, herhaaldelük; — met een bepaling, aanduidende hoeveel de ene hoeveelheid groter is dan de andere: hij kreeg 21 stemmen meer dan ik.