Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Aanloop

betekenis & definitie

m. (-en),

1. korte versnelde loop die men doet, als men springen of iets werpen wil; — (ruil.) korte, snelle en hevige aanval; — de eerste bewegingen van een in gang gebrachte machine, totdat de normale snelheid

bereikt is;

2. (fig.) voorafgaande woorden die leiden moeten tot hetgeen men zeggen (vragen) wil (meestal aanloopje);
3. herhaald bezoek (soms met gedachte aan lastigheid): wij hadden gisteren veel aanloop ; — herhaald verzoek, aanzoek ;
4. aanloop der zee, het spoelen der zee tegen het land of het strand;
5. (bouwk.) kwartcirkel vormig koppel! ijst je, dat twee verschillende leden van een lijstwerk verbindt; overgang van schacht tot kapiteel; gebogen ondereind bij tegels of platen voor dakbedekking;
6. (bij draaibanken) taster;
7. verstelbare ijzeren nok in het schaafblok, waardoor de diepte van de groef wordt geregeld.

< >