Fiets
v. (-en), 1. het gewone woord voor rijwiel: bijna iedere Nederlander heeft een fiets; ik ga altijd op de fiets; twee agenten op de fiets; — (zegsw.) wat heb ik nou an me fiets? wat zal me nou gebeuren ? — (meton.) iem. op een fiets: pas op, daar komt een fiets; 2. (dievent., alleen in het mv.) handen of benen: de paternosters om de fie...