Wat is de betekenis van Fiets?

2022
2023-01-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

fiets

1) (1906) (Barg.) vijf gulden. Een rijksdaalder is een achterwiel* in het Bargoens; twee achterwielen vormen een fiets. • Fiets, 2 rijksdaalders. (Köster Henke: De boeventaal. 1906) • Eigenaardige tegenstellingen zijn soms op te merken: spreken de „jongens" over een fiets, dan bedoelen' ze daarmede 2 rijksdaalders,...

Lees verder
2021
2023-01-27
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Fiets

Een fiets is een vervoermiddel dat wordt aangedreven door middel van spierkracht en bevat op zijn minst twee wielen. Als de bestuurder van de fiets op de pedalen trapt komt het voertuig in beweging. De fiets die het sterkst lijkt op de huidige variant van de fiets werd in het jaar 1865 uitgevonden door Fransman Pierre Michaux en zijn zoon. Deze fie...

Lees verder
2020
2023-01-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

fiets

rijwiel. vervoermiddel met een frame, in zijn meest traditionele vorm twee wielen in elkaars verlengde, een zadel, en een stuurstang met een handgreep aan ieder uiteinde, dat wordt voortbewogen door op pedalen te trappen; rijwiel. Voorbeelden: Bij een parkeergarage stond een fiets waarvan ik het hangslot makkelijk met een schaartje o...

Lees verder
2019
2023-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

fiets

fiets - Zelfstandignaamwoord 1. (verkeer) een tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen''. fiets - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd...

Lees verder
2018
2023-01-27
Ewoud Sanders

Journalist, taalhistoricus, trainer

Fiets

rijwiel In 1869 deed Matthias de Vries in het Leidsch Dagblad een oproep om het Franse woord vélocipède te vervangen door een Nederlands woord. 'Nu het gebruik van dit snelle vervoermiddel zoo toeneemt', aldus de vooraanstaande Leidse hoogleraar, 'is het ook wel raadzaam dat wij er een Nederlandsch woord voor bezitten. Vélocipède is op den duur nie...

Lees verder
2018
2023-01-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fiets

fiets - zelfstandig naamwoord 1. vervoermiddel met twee wielen en trappers die je rond moet draaien ♢ in Nederland heeft bijna iedereen een fiets 1. wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? [verbaasd commentaar op...

Lees verder
2017
2023-01-27
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Fiets

Fiets - rijwiel. Sedert 1870. Eerder gebruikte men het Franse woord vélocipède (vanaf ca. 1861). De houten, bestuurbare loopfiets die men toen nog gebruikte noemde men draisine. De etymologie van het woord fiets is onzeker, maar volgens de meeste bronnen zou het teruggaan op de Nederlandse rijwielhandelaar E.C. Viets uit Wageningen. Een enkele bron...

Lees verder
2014
2023-01-27
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

fiets

1. fiets; ga fietsen stelen op het Damrak, gezegd tegen kind dat zich verveelt, LUITZEN 49; hij is fietsen pikken op het Damrak, hij is met onbekende bestemming vertrokken: Nieuws v. d. d. 18-7-75; 2. vijf gulden, twee rijksdaalders (vgl. achterwiel): Parooll.; 3. been: Hei je kouwe fietse? ... spotte kwasi-meelijdend Neel, QUERIDO I, 356; 4. hand:...

Lees verder
2010
2023-01-27
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

fiets

fiets: Op de fiets (2009) is een boek van popster David Byrne van de Talking Heads, waarin hij een geweldige lofzang aanheft op het fietsen en de ervaringen die je opdoet als je de wereld bekijkt vanaf het zadel. Het geeft aan hoe endorfines het creatieve kunnen losmaken, want Byrne mediteert in dit boek over muziek en kunst, politiek, globaliserin...

Lees verder
2009
2023-01-27
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

fiets

Rijwiel. De benaming werd reeds opgetekend in 1870, het pedaalvoertuig zelf is al veel ouder (zie citaat 1997). Eerder gebruikte men o.a. het Franse woord vélocipède. De houten, bestuurbare loopfiets die men toen nog gebruikte noemde men draisine. De etymologie van het woord fiets is onzeker. Volgens sommige bronnen zou het teruggaan op de Nederlan...

Lees verder
2009
2023-01-27
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

fiets

(de; -en) 1 - rijwiel met twee wielen, waarbij het voorwiel wordt gebruikt om te sturen en het achterwiel de aandrijving is, in werking gesteld door het trappen op pedalen, met overbrenging via een ketting, syn. rijwiel: (fig.) wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?, wat gebeurt mij nou?; (fig.) aha, op die fiets!, op die manier; op een oude fiets m...

Lees verder
2004
2023-01-27
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

fiets

(In de gevangenis) Een stalen bed waarop onhandelbare gedetineerden tot rust moeten komen. De gevangene in de ‘isoleer’ die last krijgt van een langdurige driftaanval wordt op ‘de fiets’ gedeponeerd, een ziekenhuisbed met een overdaad aan riemen om de gedetineerde ‘tegen zichzelf te beschermen’, zoals dat in het lakonieke bewakers-jargon heet. ...

Lees verder
2002
2023-01-27
XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Fiets

Fiets, aan het einde van de 19de eeuw langzaam maar zeker ingeburgerd, steeds populairder geworden, steeds goedkoper en beter van constructie, heeft A. veroverd als geen andere stad ter wereld. In 1939 telde men op een bevolking van krap 800.000 mensen ruim 250.000 fietsen, hetgeen wil zeggen dat ongeveer een op de drie inwoners, baby's en grijsaar...

Lees verder
1998
2023-01-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Fiets

zie ook afgereden; een vrouwzonder man is als een vis zonder fiets; op een ouwe fiets leer je ’t best/moetje'tieren: 1. ga -en stelen op deDam/het Damrak,schertsend gezegd tegen iemand die in de weg loopt. Amsterdamse uitdr., hetgeen wellicht weinigen zal verwonderen, aangezien het aantal fiets- diefstallen in de hoofdstad erg groot is. 2. op die-,...

Lees verder
1997
2023-01-27
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

fiets

De verwensing ga fietsen jatten! is een vrij onschuldige vloek. De emotionele betekenis is ‘ik kots van je’. Opgegeven voor Hengelo (Ov) en omgeving. Een zegsman uit Roosendaal vermeldde ook nog ga toch fietsen stelen in de rimboe! In geval van ongeloof, verontwaardiging en andere irritatie komen ook de volgende varianten...

Lees verder
1981
2023-01-27
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Fiets

oorspronkelijk een loopfiets („draisine” in 1817 ontworpen). Rond 1870 bracht men pedalen aan het voorwiel aan. Enkele jaren later vond men de kettingaandrijving uit (1879) en ging men kogellagers gebruiken. Ondanks het gemotoriseerde verkeer heeft de fiets in Nederland nog weinig aan zijn populariteit ingeboet. Vroegere naam: vé...

Lees verder
1973
2023-01-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

fiets

v./m. (-en), het gewone woord voor rijwiel: bijna iedere Nederlander heeft een -; wat heb ik nou an me — hangen?, wat zal me nou gebeuren?; (metonymisch) iemand op een fiets: pas op, daar komt een -.

1955
2023-01-27
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Fiets

(Barg.) vijf gulden, twee rijksdaalders.

1952
2023-01-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Fiets

s., fyts.

1950
2023-01-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Fiets

v. (-en), 1. het gewone woord voor rijwiel: bijna iedere Nederlander heeft een fiets; ik ga altijd op de fiets; twee agenten op de fiets; — (zegsw.) wat heb ik nou an me fiets? wat zal me nou gebeuren ? — (meton.) iem. op een fiets: pas op, daar komt een fiets; 2. (dievent., alleen in het mv.) handen of benen: de paternosters om de fie...

Lees verder