fiets betekenis & definitie

fiets - Zelfstandignaamwoord
1. (verkeer) een tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen''.

fiets - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
♢ Ik fiets
2. gebiedende wijs van fietsen
fiets!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
fiets je?

Woordherkomst
Er zijn verschillende hypotheses, misschien is het een verbastering van vélocipède, maar andere verklaringen zijn o.a. een onomatopee|onomatopeïsche oorsprong, of een vernoeming naar de Wageningse rijwielhandelaar E.C. Viets. Een recentere en meer plausibele hypothese is dat het van het Duitse "Vize" komt (uitgesproken als "vietse"), dus dat een fiets een "vicepaard, surrogaatpaard" is.

Uitdrukkingen en gezegden
♦ Oh, op die fiets!
Oh, nou begrijp ik het.
♦ Op de fiets springen
Haastig vertrekken per fiets, ook - figuurlijk - haastig vertrekken met willekeurig vervoermiddel
♦ Op een oude fiets moet je het leren.
Gezegd tegen een sexueel onervaren jonge man om hem een oudere vrouwelijke sexpartner aan te raden.
♦ Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?
Wat gebeurt er nou? Dit had ik helemaal niet verwacht!

Synoniemen
rijwiel, stalen ros, tweewieler

Gepubliceerd op 14-11-2017