Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

VOET

betekenis & definitie

wordt onderscheiden in voetwortel (tarsus), middenvoet (metatarsus) en tenen (phalangen). De eerste bestaat uit 7 korte beenderen, die niet zoals bij de pols in twee rijen liggen, maar gedeeltelijk boven en naast elkaar. Het sprongbeen (talus) ligt het hoogst en is met het onderbeen verbonden d.m.v. een gewricht.

Er onder ligt het hielbeen (calcaneus), dat de hak vormt en waaraan de Achillespees is bevestigd. Tussen talus en de drie wigvormige beenderen bevindt zich het schuitvormig been (os naviculare) aan de binnenrand van de voet, terwijl het teerlingbeen (os cuboideum) de buitenrand van de voet helpt vormen. De vijf middenvoetsbeenderen zijn korte pijpbeenderen, min of meer evenwijdig en iets convex naar boven; het eerste en vijfde liggen lager dan de andere. De middenvoet vormt aldus het dwarse gewelf, de voetwortel het overlangse gewelf. Aan de middenvoetsbeenderen sluiten de tenen aan, die ieder uit drie kootjes bestaan, behalve de grote teen, die er twee heeft. De stand der beenderen blijft behouden dank zij krachtige banden en spieren.De voet heeft bij de mens met zijn rechtopgaande gang een belangrijke steunfunctie. Bij rechtop staan steunt het lichaamsgewicht op het bekken. Van hieruit wordt het op de benen overgebracht, zodat elk been onder normale statische verhoudingen de helft van de lichaamslast krijgt te dragen. De draaglijn van het been gaat door de kop van het bovenbeen, door het midden van de knie en midden tussen binnen- en buitenenkel. Bij afwijkingen van de normale stand zowel van been als voet wordt de lichaamslast anders verdeeld en kunnen voetklachten ontstaan. Daarom moet voor het opsporen van de oorzaak van pijnlijke voeten het gehele been nauwkeurig worden onderzocht, daar het van tenen tot bekken een physiologische bewegingseenheid vormt.

Zo kunnen alle heupen knieafwijking en voetklachten bij lopen of staan veroorzaken. Voor normaal lopen is het nodig dat heupen, knieën, enkels en voeten goed bewegen. De functie van de voet wordt beheerst door spieren die de beweging actief mogelijk maken en door banden, die de voet passief steunen. De voet rust, dank zij het overlangse en dwarse gewelf, met de calcaneus en de kopjes van het eerste en vijfde middenvoetsbeen op de grond.

VOETAFWIJKINGEN kunnen als volgt worden ingedeeld:

1. aangeboren of verworven afwijkingen in de stand van de gehele voet of van een gedeelte;
2. afwijkingen door ziekteprocessen.



Ad 1.
Abnormale standen zijn de platvoet, die ontstaat wanneer het overlangse gewelf is afgeplat; de knikvoet, waarbij het hiel- en sprongbeen buitenwaarts zijn afgeweken en dus de binnenenkel iets lager is gekomen; de spreidvoet, die het gevolg is van vervlakking van het dwarse gewelf.

Verlies van het overlangse gewelf behoeft geen klachten te geven. De platvoet ontstaat door verslapping en rekking der banden; later nemen de beenderen een abnormale stand in.

Lang staan veroorzaakt dikwijls platvoeten door een aanhoudende geringe spanning, terwijl zij die veel lopen een goed gewelf behouden ondanks de grotere spanning. Bij de belasting van een slappe voet draait de enkelvork gewoonlijk naar binnen, zodat men dan spreekt van een knikplatvoet. De klachten zijn meestal pijn onder het overlangse gewelf of, op afstand, in kuiten, heupen en lendenen. Soms wordt de voet stijf door spierkrampen, vooral bij jonge mensen die plotseling veel moeten staan. Later wordt deze zgn. ontstekingsplatvoet gefixeerd. Typische platvoetklachten worden ook wel gehoord van mensen die een goed gewelf hebben. Hiervan kan overmatige inspanning, snelle toeneming van het lichaamsgewicht of zwangerschap de oorzaak zijn.

Bij een normaal kind is in het begin van het lopen de voet plat door aanwezigheid van vet. Er bestaat een neiging om de voeten binnenwaarts te draaien, hetgeen nooit bestreden moet worden, daar bij het naar buiten draaien van de voeten het lengtegewelf meer wordt belast en gemakkelijk kan bezwijken. De klachten van kinderen met platvoeten zijn meestal gering en bestaan alleen uit snelle vermoeidheid en afkeer van wandelen.

De behandeling van platvoeten dient in de eerste plaats te geschieden door een bevoegde en niet, zoals dikwijls geschiedt, in schoenwinkels e.d. In het begin kunnen voetoefeningen en vermindering van belasting der voeten verslapping van banden en spieren tegengaan. Gelukt dit niet of zijn de afwijkingen reeds te groot dan zijn, indien klachten bestaan, steunzolen aangewezen. De waarde van steunzolen bij voetklachten in het algemeen wordt door de leek gewoonlijk sterk overschat.

Wanneer het dwarse gewelf vervlakt komen alle middenvoetsbeenderen op hetzelfde niveau te liggen. De voorvoet wordt breder; onder de bal van de voorvoet vormt zich eelt en de tenen gaan min of meer in klauwstand staan. De spreidvoet komt meer voor bij vrouwen dan mannen en wordt in de hand gewerkt door het dragen van spitse schoenen met hoge hak, waardoor de voorvoet extra belast wordt. Vaak gaat hij gepaard met een scheve stand van de grote teen (hallux valgus). De aandoening is moeilijk te verhelpen. Soms kunnen elastieken bandjes om de voorvoet of een verhevenheid in de zool onder de middenvoetsbeenderen het dwarse gewelf herstellen.

Voor het ontstaan van een hallux valgus werden vroeger de hoge hakken van de dames verantwoordelijk gesteld, maar thans komt de afwijking nog evenveel voor, hoewel de mode in hoofdzaak lage hakken voorschrijft.

De druk van de schoen op het uitstekende middenvoetsbeen is zeer pijnlijk, daar er dikwijls beenwoekering en ontsteking van een slijmbeurs ontstaan. Alleen operatieve behandeling is afdoende. Het gewricht tussen het middenvoetsbeen en het basiskootje van de grote teen kan t.g.v. arthrosis deformans verstijven (hallux rigidus), waardoor het lopen ernstig wordt bemoeilijkt. De klachten verdwijnen gewoonlijk indien midden onder de zool een verhoging wordt aangebracht.

Lijders aan spreidvoeten klagen soms over schietende pijnen door de voet bij lopen. Dit is dan het gevolg van druk van de kopjes der middenvoetsbeenderen op de gevoelszenuw van de voet (neuralgie van Morton). Dezelfde klachten kunnen voorkomen bij mensen met overigens goed gevormde voeten, door een klein gezwel (neuroom) van de gevoelszenuw.

Aangeboren voetafwijkingen (o.a. klompvoet) komen vrij veel voor (ca i op 1000 geboorten) en tweemaal zo vaak bij jongens als bij meisjes. In de loop der eeuwen zijn talrijke verklaringen gegeven voor hun ontstaan tijdens de zwangerschap. Thans neemt niemand meer aan, dat ze hun oorzaak vinden in emoties van de moeder (bijv. schrikken van een paard!). De afwijking wordt beschouwd als een ontwikkelingsremming. Direct na de geboorte kan de abnormale stand met succes worden gecorrigeerd metbehulp van gipsverband.

Bij patiënten die lange tijd in bed moeten liggen kan de zwaarte van de dekens de voet naar beneden drukken. Deze spitsvoetstand is te voorkomen door een voetensteun of dekenboog.



ad
2. Talrijke ziekteprocessen kunnen de functie van de voet storen:

a. gewrichtsaandoeningen zoals tuberculose, gonorrhoe, chronisch rheuma en jicht;

b. verlammingen van voet en onderbeenspieren, o.a. tengevolge van kinderverlamming;

c. beenziekten, o.a. aseptische botnecrosen, arthrosis deformans;

d. ongevallen.

Elk inwerkend geweld kan een breuk der voetbeenderen veroorzaken. Een bijzondere vorm is echter de vermoeienisbreuk of marsvoet, waarbij een middenvoetsbeentje na langdurige abnormale belasting bezwijkt. De aandoening geneest met rust.

A. WESSELIUS-DE CASPARIS

Lit.: T. Lewin, Foot and Ankle (Philadelphia 1949); T. P. McMurray, Practice of Orthopaedic Surgery, 3de dr. (London 1949); G. Chapchal, Handl. voor het orthopaedisch onderzoek (Utrecht 1952).