Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 17-10-2024

ANALPHABETEN

betekenis & definitie

(Grieks: van het alphabet onkundigen) zijn personen, die kunnen lezen noch schrijven. Ze vormen tegenwoordig in Nederland zeldzame uitzonderingen; hun aantal neemt in alle landen voortdurend af.

Toch bestaan er in het tempo dezer afneming en in de tot dusver bereikte resultaten zeer ver gaande verschillen.In NEDERLAND kon van de in 1938 ingelijfde recruten bij land- en zeemacht 99,9 pct lezen en schrijven; alleen lezen kon 0,03 pct (dit waren dus „half-analphabeten”); lezen noch schrijven kon 0,07 pct. Op iedere 10 000 dienstplichtigen had men dus 7 analphabeten; deze kwamen waarschijnlijk voort uit de gezinnen van schippers en kramers, die een vaste woonplaats misten, en zodoende niet door de leerplichtwet werden bereikt (aldus verklaart het Centraal Bureau voor Statistiek, afd. Culturele Statistiek, in zijn publicatie van 1941). Ruim een halve eeuw vroeger, nl. in 1885, telde men nog 10,5 pct analphabeten onder de recruten in Nederland, d.i. meer dan het honderdvoud van het aantal analphabeten en half-analphabeten van tegenwoordig bij elkaar.

In BELGIË waren in 1840 iets meer dan de helft der recruten analphabeten; 50 jaar later (telling van 1891) was het nog 16 pct; kort vóór Wereldoorlog I (in 1913) nog 7,87 pct. Hoewel België en Frankrijk de stand van zaken in Nederland en Groot-Brittannië nog niet geëvenaard hebben, behoren ze toch tot die groep van staten, waar de strijd tegen het analphabetisme als beslecht kan worden beschouwd. Aan de spits dezer groep gaan Zwitserland, Denemarken, Zweden en Noorwegen. Ook Duitsland stond in dit opzicht voorheen in het eerste gelid. Verder behoren Oostenrijk en Finland hiertoe, en buiten Europa: de V.S., Canada, Australië en Japan.

Daartegenover vormt het analphabetisme nog een urgent probleem in Zuid- en Oost-Europa, en wel in Italië, dat in 1921 nog 28 pct, in 1940: 16pct analphabeten telde; veel erger in Spanje (1943: 42 pct) en Portugal (1940: 49 pct); de Balkanlanden wijzen dergelijke cijfers aan, waarbij Griekenland er naar verhouding nog het beste, Roemenië het slechtste aan toe is (1920: 45 pct). Onder de Slavische volkeren nemen de Tsjechen tot nu toe verreweg de beste plaats in. Rusland meldde in 1926 nog 43 pct analphabeten; ter vergelijking diene, dat onder de tsarenregering van de lichting 1885 73½ pct der recruten lezen noch schrijven kon; van de lichting 1895 nog altijd 61 pct. Interessant zijn de pogingen van de regering der U.S.S.R., om ook volwassenen nog in groten getale de kunst van lezen en schrijven bij te brengen.

Grote verschillen tussen de delen van één land gaan dikwijls schuil onder de totale cijfers van een staat. Zo is in de zuidelijke provincies van Spanje het aantal analphabeten verreweg het grootst; het percentage te Granada en Valencia bijv. overtreft dat van Madrid en Burgos met meer dan het dubbele. Nog veel scherper treedt dit onderscheid tussen N. en Z. in Italië aan de dag. Volgens de huwelijksstatistiek van 1916 kon in Calabrië 61 pct der trouwlustigen niet schrijven; in Lombardije was het slechts 4,6 pct en in Piemonte zelfs 2,7 pct.

Het aantal vrouwelijke analphabeten is in de meeste landen groter dan dat der mannelijke. In België hadden de vrouwen tientallen jaren lang met opvallende regelmaat een meerderheid van ongeveer 10 pct. In Nederland was het onderscheid steeds veel groter: volgens de huwelijksstatistiek waren er in 1887 tweemaal zoveel vrouwelijke als mannelijke analphabeten; over de jaren 1901-1905 (gemiddeld) kon 1 pct der trouwlustige mannen en 1,75 pct der bruiden niet schrijven. In Engeland was het onderscheid steeds veel minder; onder de huwelijkscandidaten van 1903 bijv. werden rond 2 pct mannelijke en 2,3 pct vrouwelijke analphabeten geteld. Ierland behoort tot de zeldzame uitzonderingen: onder de analphabeten zijn de mannen in de meerderheid; alweer van 1901-1905 werden hier bij de huwelijksvoltrekkingen 18 pct mannelijke en 17,4 pct vrouwelijke analphabeten aangetroffen. (In deze getallen weerspiegelt zich eveneens de achterstand in de bestrijding van het analphabétisme, welke achterstand de Ierse Republiek thans met alle macht probeert in te halen).

Een sterke immigratie kan de statistiek van het analphabétisme op een enkele plaats of in een geheel land voorbijgaand beïnvloeden, hetzij dat de groep der binnengekomenen stamt uit een land of een milieu waarin nog velen niet leerden lezen of schrijven, hetzij dat velen onder hen door de vreemde taal, gepaard gaande met onbeholpenheid, ten onrechte de indruk van analphabeten maken. De V.S., welker statistiek in 1921 nog 5 pct analphabeten aanwees, trachten door hun immigratiebepalingen het binnenkomen van analphabeten te verhinderen.

De statistiek van het analphabetisme levert velerlei moeilijkheden op. De genoemde getallen hebben dan ook uitsluitend ten doel, bepaalde ontwikkelingstendenzen aan te geven. De naar aanleiding van het oproepen der recruten gebleken getallen vertonen een iets te gunstig beeld, daar ze slechts op jonge, gezonde mannen betrekking hebben ; ook bij de huwelijksvoltrekkingen worden de oudere jaargangen te weinig betrokken, waaronder overal het percentage analphabeten groter is dan onder de jongere. Dit laatste hangt daarmee samen, dat de bestrijding van het analphabetisme in de vooraanstaande cultuurstaten pas in de loop van de 19de eeuw met volle kracht begonnen is. Tegenover de bij volkstellingen gewonnen resultaten uit de verschillende landen moet men onder andere hiermee rekening houden, dat in het ene land reeds degenen, die slechts met moeite een woord kunnen spellen, tot de „alphabeten” (zij, die kunnen lezen en schrijven) worden gerekend, terwijl in het andere land een veel verder gaande prestatieproef als maatstaf wordt aangelegd.

De gegevens van de volkstellingen van 1920 en 1930, gepubliceerd door het gouvernement van Nederlands-Indië, vermelden als alphabeten hen, die — in welke taal ook — een briefje kunnen schrijven aan gelijken, dat niet noodzakelijk foutloos behoeft te zijn. Schoolgaande kinderen werden van het 3de leerjaar af tot de alphabeten gerekend. Volgens die maatstaf kon van de inheemse bevolking (dus onder uitsluiting van de Europeanen en vreemde Oosterlingen) in 1920 3,41 pct lezen en schrijven; in 1930: 5,48 pct.

De geschiedenis der bestrijding van het analphabétisme is tegelijk de geschiedenis van de leerplicht en de uitbreiding van het lager onderwijs.

DR K. BASCHWITZ

Lit.: Petersilie, Analphabetismus, in het Handwörterbuch der Staatswissenschaften (Jena 1923).

< >