Lat. evenredigheid des zijns, uitdrukking in de wijsbegeerte van de godsdienst om de verhouding van Gods zijn tot het zijn van het schepsel uit te drukken. Vooral Bonaventura en Thomas van Aquino hebben die figuur geijkt om een evenredigheid uit te drukken tussen het zijn van God ener- en het zijn van de mensen anderzijds: niet univoce (synoniem), óók niet aequivoce (zó dat geen enkele overeenkomst bestaat), doch analogice is de verhouding, het schepsel gelijkt op God en heeft deel aan dat wezen, dat God in meest volmaakte zin God zelf is.
Tegenover de analogia entis, die in de laatste tijd in het Rooms-Katholicisme krachtig verdedigd wordt door E. Przywara, stelt K. Barth de analogia fidei; de evenredigheid ligt volgens Barth niet in de categorie des zijns, maar des geloofs (z analogie [3 theologie]). PROF. DR H. VAN OYEN.
Lit.: Erich Przywara S.J., Analogia entis, I, Prinzip (1932); VV. J. Aalders, De analogia entis in het geding, Mededeelingen Kon. Acad. v. Wet. Afd. Letterk. dl 83, Serie A, no. 2 (1937).